VU Blaise Pascal Instituut > Portal Civil society en religie > Online teksten

Deze tekst verscheen in In de Marge, jaargang 13, 2004, 2.

Het ‘midden’ van het middenveld

Verschenen in: In de Marge, jrg. 13, nr. 2, juni 2004, p. 39 - 44.

Govert Buijs

Fietsend door een mij wat onbekend deel van Amersfoort, zag ik het plotseling, zomaar aan mijn rechterhand: een proper houten gebouwtje, op een ordentelijk betuinierd, bloemrijk veldje. ‘Dahlia-vereniging Randenbroek’ stond er op het gebouwtje. ‘Oók civil society’, dacht ik ogenblikkelijk, niet geheel vrij van beroepsdeformatie. De term ‘middenveld’ blijkt toch steeds nog weer heel nieuwe connotaties te hebben - tot dahlia’s aan toe. Want zo leg ik op verjaardagfeestjes uit waar mijn huidige onderzoek betrekking op heeft: ‘Civil society is de internationale term voor dat wat we in Nederland al heel lang aanduiden als maatschappelijk middenveld.’

In vrijwel alle omschrijvingen die de laatste ruim tien jaar gegeven zijn van civil society komen de volgende elementen terug: los van de overheid, zonder winstoogmerk, door mensen in min of meer georganiseerd verband ondernomen activiteiten. Vandaar ook uitdrukkingen als ‘non-gouvernementeel’ en ‘non-profit’. En vaak frommelt men ook nog iets in de definitie, waarmee men het onderscheid met de privé en/of familiesfeer aangeeft. Zo ontstaat het beeld van een driehoek (en die komt men ook daadwerkelijk uitgetekend in de boeken tegen) met respectievelijk de staat, de economische sector en de privésfeer op de drie hoeken. Daartussen in bevindt zich dan het gebied dat men als civil society aanduidt.

Uit de vele problemen waar hedendaags civil society-onderzoek zich voor gesteld ziet, kies ik drie pièces de résistance om enkele nadere opmerkingen over te maken, namelijk de heterogeniteit van het begrip, de sterke opkomst van datgene wat nu civil society heet in het Westen vanaf het einde van de achttiende eeuw en de grote verscheidenheid in omvang en aard van de civil society zoals die in internationaal vergelijkend onderzoek naar voren komt.

1. Vulkanisch gebied

Wat valt daar allemaal wel niet aan te treffen, in dat driehoekige tussengebied! De Dahlia-vereniging Randenbroek naast het IKV en diens massale vredesdemonstraties op het Malieveld begin jaren ’80, de Jubilee-campagne voor schuldenkwijtschelding aan Zuidelijke landen naast het Nederlands Olympisch Comité, allerlei manifestaties van de vrouwenbeweging naast de Hell’s Angels en zo valt nog wel even door te gaan.

Civil society blijkt een container-begrip. Allerlei sociale bewegingen rekent men er toe, zowel de klassieke arbeidersbeweging als de twintigste-eeuwse zogenaamde ‘nieuwe sociale bewegingen’ (vrouwenbeweging, milieubeweging, vredesbeweging, studentenbeweging, Deder Wereld-beweging) maar ook de oudere charitatieve initiatieven op het gebied van jeugdzorg, ouderenzorg, gehandicaptenzorg. Men komt er allerlei vrije tijds- en recreatieve initiatieven tegen (sport-, gezelligheids- en hobbyverenigingen) naast belangenorganisaties in vele soorten en maten. Ook buurtinitiatieven en kerken bewegen zich op dit gebied.

Zo bezien is het hanteren van één containerbegrip voor al deze zo uiteenlopende activiteiten niet erg zinvol. Bovendien verliest men met de nogal ‘ruimtelijke’ en daarmee wat statische connotaties - een gebied dat zich bevindt tussen bepaalde polen - gemakkelijk de grote dynamiek en vooral de wisseling in dynamiek uit het oog. De civil society maakt op het ene tijdstip een veel vitalere indruk dan op het andere tijdstip. Bepaalde maatschappelijke bewegingen zijn soms in staat de samenleving als geheel bijna te splijten. Denk aan de grote volksmobilisatie die de vredesbeweging in de jaren ’80 op gang wist te brengen. De welige groei van de Randenbroekster dahlia’s leidt echter niet tot een verhit publiek debat en geen politicus zal er wakker van liggen. Het middengebied in de driehoek staat, economie en private sfeer is zo gezien niet te typeren met de rustieke, ietwat plattelandelijke aanduiding ‘middenveld’ maar eerder als een vulkanisch gebied, waarin het borrelt en bruist, waarin heftige erupties en perioden van stolling elkaar afwisselen, waarin soms inderdaad de sereniteit van de ontbottende dahlia’s het beeld bepaalt, dan weer het maatschappelijk protest waarbij de stenen de straat uit getrokken worden.

2. Heeft ‘de’ civil society een functie?

Het is daarom ook niet zo heel zinvol om aan ‘de’ civil society eenduidig een bepaalde rol toe te kennen. Er is sprake van een sterke neiging, zowel bij wetenschappers als politici, om de hele civil society te zien als een functie van iets anders, iets hogers, en wel, - we horen hier onmiskenbaar de echo van Hegel! - het welzijn van politiek en staat. Het bestaan van de dahliavereniging Randenbroek is in deze denklijn op zichzelf genomen waardeloos, maar ziedaar, de leden van de vereniging moeten toch een bestuur vormen, er moet af en toe vergaderd worden, een budget moet beheerd, ze zullen af en toe samen een compromis moeten sluiten (worden het dit jaar rode of roze dahlia’s op kavel F?) en zo leren ze in feite het politieke handwerk. Daarom krijgen ze wellicht ook subsidie.

Empirisch kleven er aan deze visie veel bezwaren (zie de bijdrage van Dekker elders in dit nummer). Maar ook normatief is deze visie niet zonder meer vanzelfsprekend. De aangegeven redenering miskent namelijk dat de zin van allerlei activiteiten die mensen gezamenlijk ondernemen primair in die activiteit zelf ligt. Primair past een overheid daartegenover een houding van erkenning en niet van toetsen en testen of een dergelijk initiatief wel bijdraagt aan andere, zogenaamd hogere maatschappelijke doelen. (Iets anders is het natuurlijk wanneer activiteiten indruisen tegen rechtstatelijke beginselen). De ‘civil society’ heeft in principe geen hogere rechtvaardiging nodig. Stilzwijgend speelt in deze functionalistische visie dus een omvattende politiek- en staatsidee door.

3. Patronen onderscheiden

Het verdient aanbeveling om het ongedifferentieerde spreken over de ‘civil society’ te verlaten en te gaan zoeken naar stollings- en eruptiepatronen in het vulkanische gebied. Ik zou daarbij civil society willen zien als een knooppunt van bepaalde morele impulsen en het zoeken naar organisatorische vormen om die morele impulsen om te zetten in concreet handelen. In heel andere zin dan gebruikelijk is dan toch ineens de term ‘middenveld’ weer interessant: het is het veld dat ontstaat tussen twee existentiële ervaringen namelijk de ervaring dat er iets mis in mijn, onze of simpelweg ‘de’ wereld aan de ene kant en de ervaring dat ik of dat wij daar wellicht iets aan zouden moeten en kunnen doen. Civil society is zo bezien het organisatorische ‘middenveld’ dat onstaat tussen de ervaring van een bepaald tekort en de ervaring van een door mij of door ons naderbij te brengen verbetering.

Voorlopig onderscheid ik vier morele impulsen en bijbehorende typen ‘civiele actie’.

a. solidariteit: onderlinge hulp met name in primaire gemeenschappen. Men is opgenomen in een systeem van wederkerigheid (do ut des, ik zet me in voor jou opdat jij je voor mij inzet). Organisatievormen lopen uiteen van spontane gezamenlijke actie bij rampen tot onderlinge krediet- en verzekeringsorganisaties.

b. vriendschap: volgens Aristoteles is een van de kernelementen van vriendschap het gezamenlijk genieten van iets dat men als goed ervaart. De organisatievormen kunnen hier uiteenlopen van sportverenigingen tot debating clubs, van de bejaardensoos tot de scouting.

c. belangenbehartiging: inzet voor een gezamenlijk belang, waar men persoonlijk ook bij betrokken is en waar men zelf ook concreet de voordelen van hoopt te ondervinden. Hier kan men denken aan allerlei consumentenorganisaties, aan de vakbeweging, aan ouderverenigingen in het onderwijs, aan patiëntenorganisaties in de zorg (do ut nobis prosim, inzet om gezamenlijk voordeel te behalen).

d. agapeïsche actie: inzet ten behoeve van anderen of van de samenleving die naar verwachting niet symmetrisch in persoonlijk voordeel zal uitmonden. Men heeft als het ware ‘over’ en wil zich van daaruit in belangrijke mate belangeloos inzetten (do quia mihi datum est, ik zet me in omdat ik veel ontvangen heb; de uitdrukking is van de Franse filosoof Paul Ricoeur en is in Nederland door Dorien Pessers naar voren gehaald). Ik zou in deze categorie willen onderscheiden tussen twee subtypen, enerzijds de concrete hulp aan hulpbehoevende anderen (caritas), anderzijds de actie met het oog op structurele veranderingen ten behoeve van vele anderen (‘architectonische kritiek’), zoals die in diverse sociale bewegingen naar voren komt.

Gezamenlijk dekken deze vier typen van ‘civiele actie’ wel zo ongeveer het grootste deel van wat als civil society wordt aangeduid (waarbij de meeste aandacht uitgaat naar de laatste categorie, zie onder). Maar tegelijk wordt duidelijk dat hier niet zo gemakkelijk één term op gedrukt kan worden. Hoewel er allerlei grensgevallen zijn, kan men toch verdedigen dat het hier om verschillende morele impulsen gaat, die elk hun eigen type organisatorische vormgeving met zich meebrengen.

Is het nu mogelijk om met de hier geïntroduceerde onderscheidingen zowel de modern-westerse opkomst als de in internationale vergelijking blijkende grote verscheidenheid enigszins in beeld te krijgen?

Daartoe moet ik nog iets nader enkele implicaties naar voren halen van mijn benadering van het middenveld. Civil society in zijn verschillende gedaantes is de organisatorische resultante van een als tekort ervaren situatie enerzijds en een morele impuls anderzijds. Dat betekent dat omvang en aard zowel beïnvloed worden door veranderingen in de situatie waarin men zich bevindt als door veranderingen in moreel bewustzijn. Een situatie kan ellendiger worden, waardoor mensen het besef kunnen krijgen dat ze er nu iets aan moeten doen. Een gelijke situatie kan echter in de loop van de tijd als onaanvaardbaar of in elk geval als voor verbetering vatbaar ervaren worden vanwege veranderingen in wat Charles Taylor noemt de ‘morele horizon’. (Natuurlijk is ook een combinatie van beide mogelijk).

De hypothese die ik momenteel uitprobeer is dat de modern-westerse opkomst van de civil society primair (dus niet uitsluitend) is ingegeven door grote maatschappelijke verslechteringen die samen hingen met de ontwikkeling van de markt (en dus niet door een autonoom opkomend, vaak aan de Verlichting toegeschreven ‘humanitair bewustzijn’, zoals de concurrerende hypothese luidt). Daarnaast probeer ik de hypothese uit dat omgekeerd de cross-culturele variatie in omvang en samenstelling van de civil society in brede zin primair (dus niet uitsluitend) te maken heeft met verschillen in morele horizon. Het springende punt is hier de plaats van de agapeïsche actie. Over beide hypothesen iets meer.

4. Marginalisering van de zorg

Vaak wordt de negentiende eeuw gezien als de kraamperiode van allerlei zorggerichte niet-gouvernementele initiatieven die in de loop van de twintigste eeuw zijn uitgegroeid tot zelfstandige organisaties. Dit plaatje klopt slechts gedeeltelijk. Gemakkelijk ziet men dan namelijk de lange traditie van de caritas over het hoofd, die rechtstreeks teruggaat op de activiteiten van de vroeg-christelijke kerk en in die laat-klassieke context opvallend nieuw was. Veel van de negentiende-eeuwse initiatieven stamden rechtstreeks uit die traditie van kloosters, ordes en diaconieën. Dat kerken nog steeds een belangrijke ‘toeleverancier’ zijn van vrijwilligers zal met die traditie te maken hebben.

Maar waarom is er dan in de negentiende eeuw toch zo’n nieuwe golf van initiatieven waarneembaar op het gebied van de sociale zorg? Een van de meest opvallende kenmerken van de ontwikkeling van de achttiende en negentiende-eeuwse economie was wel het uitsluiten van morele gezichtspunten. Veel economen lieten en laten zich hierbij vaak inspireren, soms tegen wil en dank, door de fameuze ‘fabel der bijen’ van de in Rotterdam geboren Engelsman Bernard de Mandeville, voor het eerst gepubliceerd in 1714. Hij had in een allegorie van het economische leven laten zien dat de economie het beste draait als mensen zich egoïstisch en hebzuchtig gedragen. Zodra men moreel gaat doen, stort de economie in. In de ondertitel van zijn werk had hij deze paradox verwoord: ‘Private vices, publick benefits’. Private ondeugden strekken tot publiek voordeel. En de omgekeerde conclusie was dan ook waar: in de samenleving moet men niet moreel willen doen. Dat doet men maar thuis.

Dat betekende ook dat in het zich eind achttiende, begin negentiende eeuw ontwikkelende samenlevingsmodel er geen publiekelijk erkende plaats was voor zorg-activiteiten. Deze kwamen daarmee in feite terecht in de private sfeer (Tronto 1993). Het had er alle schijn van dat er zich een samenleving zou ontwikkelen waarin het publieke domein beheerst zou worden door mensen en organisaties die de rationele afweging tussen kosten en baten, tussen winst en verlies centraal zouden stellen. Daarnaast, in de marge, zou er dan een private sfeer zijn waarin zorg een plaats had. In de publieke sfeer zouden mensen primair ‘productiemiddelen’ zijn, speelballen in de handen van machtige, strikt rationeel werkende organisaties. De enorme expansie van de economie ging zo niet gepaard met een gelijke tred houdende expansie van de zorg. Men kan daarom zeggen dat de bestaande kerkelijke en statelijke zorgstructuren bezweken of in elk geval ernstig tekort gingen schieten.

Deze situatie betekende echter wel dat de moderne samenleving op gespannen voet kwam met een van centrale elementen van de omringende morele horizon, de christelijke traditie. Deze situatie wordt heel pregnant belichaamd door een van de vroege grootmeesters van de moderne sociologie, Max Weber. Voor hem was het diepste conflict van de moderne tijd het conflict tussen de Bergrede en de bureaucratie. En de bureaucratie, als inbegrip van de moderne waardenvrije rationaliteit, was aan de winnende hand. ‘De geest van de politiek (en zo kan men toevoegen, van de economie GJB) staat principieel op gespannen voet met de God der liefde, (..), een onoplosbaar conflict’, aldus Weber.

Men kan zeggen dat veel van de negentiende-eeuwse zorginitiatieven hun oorsprong daarin hebben dat mensen zich niet op voorhand wensten neer te leggen bij de situatie zoals Weber die later tekende, een middenveld tussen bureaucratie en Bergrede.

Tegelijk bevestigden de nieuwe initiatieven het moderne plaatje wel heel sterk. Immers, het betrof hier toch vaak vrijwilligerswerk, privé-initiatieven. De publieke structuur van een bijna de hele samenleving bepalende vrije markt en daarnaast nog wat ‘zorg-activiteiten’ werd niet aangetast. Een meer fundamentele kritiek op de economie ontstond enerzijds pas in het Marxisme, anderzijds door de uitwerking aan kerkelijke zijde van de morele horizon van de caritas tot een eigen sociale leer. Het was die sociale leer, waarin een ‘architectonische kritiek’ op de structuren van de moderne samenleving werd geformuleerd, die het mogelijk maakte Bergrede en bureaucratie iets dichter in elkaars buurt te brengen.

De particuliere initiatieven waren een soort compensatie voor een in zichzelf gekeerde en doordraaiende economie. De civil society is letterlijk ‘uit de nood geboren’ (denk bijvoorbeeld aan de geschiedenis van de vakbeweging).

5. Civil society als georganiseerde zorg

Hoewel de civil society een heel spectrum aan activiteiten omvat, waarin nogal uiteenlopende morele impulsen op uiteenlopende wijze vorm krijgen, gaat in het debat toch vaak de meeste aandacht uit naar wat ik hier boven ‘agapeïsche actie’ heb genoemd, enerzijds de klassieke caritas en alles wat zich, grotendeels van daaruit op het gebied van zorg en onderwijs ontwikkeld heeft, anderzijds de sociaal-kritische bewegingen die zich inzetten voor een meer rechtvaardige of een meer groene wereld.

De laatste jaren wordt er veel internationaal vergelijkend onderzoek gedaan naar de omvang en aard van de civil society. Het meest ambitieuze project in dit verband is het Johns Hopkins Comparative Nonprofit Sector Project. Momenteel heeft men al rond de vijftig landen vergelijkenderwijs doorgelicht. Ook wordt gewerkt aan een omvattende ‘civil society index’, waarin heel verschillende elementen van het verschijnsel worden verdisconteerd, zoals de feitelijke omvang (bijv. aantallen leden en donateurs), de hoeveelheid geld die er in omgaat, de mate waarin er een civil society-vriendelijke juridische structuur is en het vertrouwen dat het publiek in allerlei organisaties heeft. Aardig detail: Nederland komt hier als verreweg de hoogste scoorder uit.

Interessanter is dat blijkt dat er nogal forse verschillen bestaan tussen de verschillende landen wereldwijd. Er zijn landen die nauwelijks een civil society kennen (bijv. Japan).

Mijn hypothese is dat hierin onder andere een specifiek westerse constellatie een belangrijke rol heeft gespeeld. Enerzijds is in het Westen de morele horizon sterk ingekleurd vanuit de christelijke traditie met elementen als gelijkwaardigheid van alle mensen en vandaar uit bijzondere zorg voor de zwakken, anderzijds is dit al vroeg gekoppeld aan een sterk besef van de potenties van een onafhankelijke, ‘non-gouvernementele, non-profit’, organisatie, zoals de kerk die is geweest. Het is niet overdreven om te constateren dat de christelijke kerk, inclusief de vele religieuze en leken-orden, eigenlijk de eerste gestalte van de moderne civil society gevormd heeft.

Dit werd al vroeg beseft door de Romeinse keizer Julianus (die de christelijke geschiedschrijving in zou gaan als Apostata, ‘de afvallige’), die in een brief aan zijn landvoogd Arsacius deze aanspoorde om opvanghuizen te bouwen voor armen, zieken en ontheemden, net als ‘die goddeloze Galileeërs’ (Julianus’ favoriete aanduiding van christenen), die in de afgelopen jaren zeer veel mensen gewonnen hadden door hun philanthropeia.

6. Het lege midden?

Het middenveld is dynamisch. De anti-slavernij beweging is verlopen (hoewel we heden ten dage weer dringend iets dergelijks nodig hebben in verband met de internationale vrouwenhandel!). Iets dergelijks geldt de anti-apartheidsbeweging en de vredesbeweging. Doelen waren bereikt, de organisaties konden inkrimpen of opgeheven worden.

Veel civil society activiteiten hadden en hebben het karakter van compensatie achteraf, cura posterior, van zaken die elders als onvermijdelijke schadelijke effecten waren afgewenteld. Op het moment dat er iets als cura anterior, zorg vooraf, gaat ontstaan, is de civil society minder nodig. Het middenveld kan leger worden, bijvoorbeeld omdat bedrijven meer ‘civil society’-trekken gaan aannemen.

Het middenveld kan echter ook leger worden doordat organisaties zelf commercialiseren. Veel woningbouwcorporaties hebben recent de civil society sfeer verlaten. Maar opvallend: juist de oorspronkelijke sociale doelstelling, betaalbare kwaliteitswoningen voor minder draagkrachtigen, komt hiermee vaak onder zware druk.

Maar als bovenstaande analyse enig hout snijdt, is het ook denkbaar dat het middenveld rijker dan wel leger wordt door veranderingen in morele sensitiviteit, verschuivingen in de morele horizon. Zijn deze ook te traceren?

In vulkanisch gebied is het van belang bedacht te zijn op onderstromen. Een saillante verschuiving is bijvoorbeeld dat de laatste jaren in de opgegeven motivatie van mensen om bijvoorbeeld vrijwilligerswerk te gaan doen, de notie ‘zelfontplooiing’ sterk in opkomst is, tegenover redenen als plichtsbesef of betrokkenheid bij anderen. Dat hoeft niet dramatisch te zijn, maar geeft wel te denken. Zeker als men dit koppelt aan een andere verschuiving, die naar meer ‘fun-gericht’ vrijwilligerswerk in de recreatieve sectoren. Met name onder jongeren is het emotioneel zwaardere vrijwilligerswerk in zorg en hulpverlening de laatste jaren minder in trek.

De Canadese sociaal-theoreticus Charles Taylor ziet het huidige sociaal-culturele klimaat zelfs in hoge mate bepaald door een tegenstelling tussen de christelijke agape-traditie en de Nietzscheaanse ontkenning daarvan. En het moge duidelijk zijn dat wie de wereld indeelt in ‘winners’ en ‘losers’ niet heel snel actief zal worden in allerlei vormen van ‘zorg’. Als Taylors plaatje klopt, wordt het nog spannend rond het middenveld.