Niet
veel literatuur toont zich zo sterk dat ze na 3000 jaar nog steeds gelezen
wordt. De psalmen zijn zulke literatuur; ze worden zelfs dagelijks gelezen,
gebeden en gezongen, in binnenkamers, synagoges, kerken en kloosters. Het kan
niet anders of teksten die zo intensief gebezigd
worden, trekken een spoor in de cultuur, ook waar die cultuur steeds minder
binding heeft met met de geloofswereld waarin die teksten primair
functioneren. Want het is niet alleen door het religieuze gedachtegoed dat de
psalmen de eeuwen trotseren, maar evenzeer door hun literaire kracht. Dat die
ook los van de religieuze lading onderkend en gewaardeerd wordt, blijkt wel
uit de felheid waarmee Gerrit Komrij, die toch niet van christelijke sympathieën
verdacht kan worden, tekeer gaat tegen de psalmvertaling van Nico J. Tromp c.s.
in de nieuwe Willibrord-vertaling, die zeer tot Komrijs ongenoegen in de
plaats kwam van de versie van Ida Gerhardt en Marie van der Zeyde: Onder
leiding van een imitatie-professor is er een imitatie-vertaling ontstaan van
de Psalmen. De Zugspitze van de wereldpoëzie werd beklommen door een
reptielencollectief. (
) Uit verschaalde miswijn geboren is deze nieuwe
psalmvertaling. Een historische verkrachting. Een belediging voor het werk van
Gerhardt en Van der Zeyde.[1]
Dat de psalmen inspiratiebron kunnen zijn voor
dichters van diverse levensbeschouwelijke pluimage werd duidelijk in de
uitgave Nieuwe psalmen van het
literaire tijdschrift Parmentier,
waar Vlaamse en Nederlandse dichters hun versie van of reactie op psalmen
gaven. De dichters werden door de redactie tot een bijdrage uitgenodigd; het
is dus goed mogelijk dat ze uit zichzelf niet tot de hier gepubliceerde
gedichten gekomen zouden zijn, en dat kleurt het resultaat wel. Mooie nieuwe
vertalingen of bewerkingen van bijvoorbeeld Theun de Vries, Victor Vroomkoning,
Imme Dros en Frans Budé, staan naast spottende parodieën. Gedichten waarvan
de associatie met de vermelde psalm voor de lezer nogal duister blijft, worden
afgewisseld door verzen waarin de dichter zich laat meeslepen door een bijna
hallucinerende, vaak aan de Statenvertaling ontleende woordenmassa, serieuze
reacties door eigen versies waarin de geliefde de plaats van God heeft
ingenomen.
Een vergelijkbaar project, maar dan van één
persoon, is de serie reflecties op de psalmen die Anton Ent 150 weken
lang in HN-Magazine publiceerde.
Soms borduurt hij voort op een beeld uit de psalm, soms op de gedachte van de
psalm als geheel. Zijn eigen, nieuwe beeldspraak doet toch vaak aan die van de
psalmen denken, evenals de ritmiek en de grammaticale constructie van zijn
zinnen. Maar het persoonlijke en onderling vaak heel verschillend uitvallende
karakter van zijn reflecties maakt de band met de concrete psalm waar het
gedicht van uitgaat soms ook weer zo los, dat de lezer er zonder de ondertitel
niet gauw zelf op zou komen.
Spontaan of niet, dát de psalmen ook voor dichters van nu een inspiratiebron kunnen zijn, is wel duidelijk. Hoe die inspiratie precies vorm krijgt in de moderne poëzie wil ik in dit artikel nagaan[2], zonder daarbij zelfs maar in de buurt van volledigheid te kunnen komen. Vertalingen, hertalingen en bewerkingen van bestaande psalmen laat ik buiten beschouwing, hoe spijtig het ook is dat ik daardoor bijvoorbeeld de Psalmen opnieuw van Gabriël Smit[3] onbesproken laat, evenals Ken u in mijn klacht van Lloyd Haft[4], waarin door de oorspronkelijke psalmtekst heen de visie van de dichter klinkt. Voorts beperk ik me tot gedichten die bedoeld zijn als zelfstandig functionerende tekst. Daardoor blijven teksten die voor een liturgische context zijn geschreven, zoals Een lied bij psalm 22 en Een lied bij psalm 88 van Huub Oosterhuis[5], eveneens buiten beschouwing.
Er blijven nog genoeg gedichten over waarvoor de psalmen aanwijsbaar op een of andere manier de (of een) voedingsbodem zijn. Ik onderscheid gedichten waarin naar het fenomeen psalmen verwezen wordt, gedichten waarin psalmen geciteerd worden, waaronder psalm 23 een prominente plaats inneemt, en tot slot gedichten die als nieuwe, eigen en eigentijdse psalmen beschouwd kunnen worden.
Waar
in gedichten de psalmen in hun algemeenheid genoemd worden, gebeurt dat
meestal om een sfeer op te roepen, de sfeer van het ouderlijk huis met een
duidelijk calvinistisch stempel. Helemaal compleet wordt het wanneer ook het
harmonium en de hele noten gememoreerd worden. Uit die gedichten spreekt een
mengsel van afkeer en nostalgie. De dichter heeft die wereld van stijle
vroomheid ver achter zich gelaten, en voelt zich daardoor bevrijd, maar later
duikt toch ook heimwee op naar de dubbele geborgenheid van die jeugd: de
geborgenheid van het kind-zijn in de bescherming van de ouders en de
geborgenheid van het geloof waardoor het hele bestaan in een groot, sluitend
verband stond. Ik heb dat rare geloof / als een jasje uitgedaan. (
)
Later kwam het besef: / (
) Ik trok geen jas uit / maar een huid,
schrijft J. Eijkelboom in een (psalmloos) gedicht[6].
Het slot van zijn Vox humana[7]
luidt:
Hij hoort weer het astmatisch steunen:
loflied of klaagzang eender zeurt
deze muziek, tot hij die deur
snel weer vergrendelt. En toch,
o mocht hij nog een keer,
geknield voor t orgelfront,
de trappers voor de vrouw bewegen
die boven hem haar psalmen zong.
En
Anton Korteweg, ook duidelijk afkomstig uit een psalmen-minnend milieu,
verlangt ernaar
dat hij nog eens met tranen in de ogen
zal horen hoe zijn moeder aan granieten aanrecht
psalmen verhaspelt bij het kloven van een kip,[8]
Hoewel
de ondertoon van weemoed onmiskenbaar is, overheerst bij Korteweg de
ironisering van die gevoelens, bijvoorbeeld waar hij zijn ouderlijk huis bij
de Moerdijk, dat kennelijk voor een installatie van de Shell heeft moeten
wijken, benoemt als heel dat kunstig nest, dat moeder vroeger / van psalmen
deed weergalmen[9]. En de psalmen
functioneren juist ten behoeve van die ironisering. In Het land waar het
leven goed is[10]
wordt de mentaliteit van in het zweet des aanschijns zwoegen opgehaald,
waarna hij besluit:
Maar s zondags niet. Dan waren wij gezeten
rond het harmonium en prezen Hem die t Al
volgens Zijn raadsbesluit bestiert in hele noten.
Rob
Schouten heeft, voor zover ik gevonden heb, als enige van de dichters met een
nadrukkelijk christelijke opvoeding blijkens andere gedichten was zijn
vader een Zevendedags Adventist een andere associatie met de psalmen. Voor
hem staat niet de nostalgische herinnering aan het horen en het zingen van de
psalmen voorop, maar een inhoudelijk aspect,
namelijk de krijgszucht en het oorlogsrumoer dat in sommige psalmen te
beluisteren valt. In een gedicht naar aanleiding van een muziekstuk van
Vaughan Williams over het hemelse geluk, voor de arme Lazarus gelokaliseerd in
Abrahams schoot (Lucas 16: 19-31), schrijft hij:
( )
Het golft maar af en aan, deze idylle.
Het wachten is een beetje op het gillen,
op hatelijke psalmen en gesis.
Sta mij dus toe dat ik de rijkaard mis.[11]
Het valt op dat in de nostalgische gedichten het psalmzingen steeds gekoppeld wordt aan de moeder. Men had evengoed kunnen verwachten dat ze, met hun hele noten, verbonden zouden worden met een stijle, strenge vaderfiguur, of zelfs met de grootvader, die bij Korteweg ook herhaaldelijk voorkomt. Door de associatie met de moeder worden de psalmen in het domein van de intimiteit gebracht, en krijgen ze ondanks alle ironie toch een positieve lading.
Het bekendste voorbeeld waar de psalmen met de moeder worden
geassocieerd, is ongetwijfeld het gedicht van Martinus Nijhoff De moeder de
vrouw. Hierin is geen sprake van ironie. In een klassiek geworden analyse[12]
heeft A.L. Sötemann laten zien hoe de psalmzingende vrouw op het schip, die
de dichter aan zijn moeder doet denken, een rol vervult in de verzoening
tussen het aardse bestaan en de transcendentie, een verzoening die in het
gedicht gesymboliseerd wordt door de nieuwe brug die de twee oevers die
elkaar vroeger schenen te vermijden verbindt.
Intussen is de
nieuwe brug van toen alweer vervangen door een volgende, toepasselijk Martinus
Nijhoff-brug genoemd. Ter gelegenheid van de opening daarvan schreef Rutger
Kopland een gedicht waarin hij het gedicht van Nijhoff op de voet volgt,
terwijl het toch een geheel eigen, zelfstandig gedicht geworden is. Hij gaat
een dialoog met Nijhoff aan, gaat zelfs tegen hem in, maar het is geen parodie
en het oorspronkelijke gedicht wordt geheel in zijn waarde gelaten. Een knappe
prestatie, waarvan ik geen ander voorbeeld ken in de Nederlandse literatuur.
De moeder de vrouw
Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twe overzijden
Die elkaar vroeger schenen te vermijden,
Worden weer buren. Een minuut of tien
Dat ik daar lag, in t gras, mijn thee gedronken,
Mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd
Laat mij daar midden uit de oneindigheid
Een stem vernemen dat mijn oren klonken.
Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
Kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij t roer,
En wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.
Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.[13]
De moeder het water
Ik ging naar moeder om haar terug te zien
Ik zag een vreemde vrouw. Haar blik was wijd en
leeg, als keek zij naar de verre overzijde
van een water, niet naar mij. Ik dacht: misschien
- toen ik daar stond op het gazon, pilsje gedronken
in de kantine van het verpleegtehuis, de tijd
ging langzaam in die godvergeten eenzaamheid
misschien zou t goed zijn als nu Psalmen klonken.
Het was mijn moeder, het lijfje dat daar roer-
loos stond in t gras, alleen haar dunne haren
bewogen nog een beetje in de wind, als voer
zij over stille waatren naar een oneindig daar en
later, haar God. Er is geen God, maar ik bezwoer
Hem Zijn belofte na te komen, haar te bewaren.[14]
De sonnetvorm, het metrum, grammaticale constructies, zelfs rijmwoorden zijn overgenomen. Maar al die overeenkomsten in de vorm versterken de omkeringen in de inhoud. De onbekende vrouw in wie Nijhoff (om het dichterlijk ik in Nijhoffs gedicht kortheidshalve zo maar aan te duiden) iets van zijn moeder herkent wordt bij Kopland de moeder die haar zoon niet meer herkent. De oneindigheid (met reminiscenties aan de eeuwigheid) van het rivierenlandschap wordt de godvergeten eenzaamheid van het verpleegtehuis, en het is nu niet de vrouw die psalmen zingt, maar de zoon die beseft dat hij eigenlijk psalmen zou moeten zingen, omdat hij alleen zo misschien nog tot zijn moeder kan doordringen, - maar hij doet het niet. De dichter-dominee Geert Boogaard heeft met Schuilen over eenzelfde situatie geschreven, waar het wel lukt samen te schuilen in een psalm (zie hieronder).
Het slot van Koplands gedicht doet denken aan dat van Het gebed van een onwetende van Multatuli, dat uitloopt op een wanhopig O God, er is geen God!. Hier is dezelfde ontroerende contradictie van een aanroep van (bezwering aan) Iemand die verondersteld wordt niet te bestaan. Maar ook kan er de ironie in worden gelezen waarmee Eijkelbooms eerder geciteerde gedicht Gedragen kleding 3 besluit: (Ik) moest ( ) verdwijnen voor wie alles ziet, / ook al bestaat hij niet.
De psalmregel die Nijhoff citeert, Prijs God, Zijn
hand zal u bewaren, komt zo niet in de psalmen voor, het is een
composiet-regel, die uitdrukt wat Nijhoff kennelijk als de essentie van de
psalmen ervoer. Kopland citeert geen psalm, bestaand of niet, maar het is
mogelijk dat hij met stille waatren wel verwijst naar psalm 23 met zijn
waatren der rust (in de bekende berijming van J.J.L. ten Kate), de psalm
die in meer gedichten van hem een rol speelt. Hoewel de variant stille
waatren tegelijk of misschien wel sterker het spreekwoord Stille
wateren hebben diepe gronden oproept, denk ik dat de dichter hier toch
voortgaat op de gedachte in de achtste regel: psalm 23 is immers de
allerbekendste psalm, die de meeste kans heeft herkend te worden door de
dementerende moeder, zoals dat inderdaad gebeurt in het bovengenoemde gedicht
van Geert Boogaard:
Schuilen
Toen wij dachten
dat zij niets
meer wist,
wilde ik nog iets
proberen met
een heel oud lied,
niet omdat we
verlangden naar
een laatste woord,
maar om met haar
te schuilen in
een psalm.
Ik zei: Ook
al ga ik
door een dal
van de schaduwen
des doods
En zij: Ik vrees
geen kwaad.
En ik:
want Gij
En zij:
zijt bij mij.[15]
Niet
alleen bij dementerende moeders, ook bij moderne lezers heeft psalm 23 de meeste
kans op herkenning. Niet verwonderlijk dus dat het deze psalm is die het meest
voorkomt in de moderne poëzie[16].
Daarbij speelt misschien ook mee dat hij als centraal thema de geborgenheid
heeft, die, zo bleek, voor veel dichters een belangrijke associatie van de
psalmen blijkt te zijn. De manier waarop moderne dichters met psalm 23 omgaan,
kan echter erg verschillen. (Gods)vertrouwen bij de naderende dood, geheel in
lijn met de traditie, bij Vasalis, persoonlijke afkeer van de onvrijheid die
eruit gelezen wordt bij Korteweg, onvervuld verlangen naar de ervaring van het
contact met God waarvan de psalm getuigt, en de van een zekere weemoedigheid
doortrokken tegenspraak van Rutger Kopland. Hoe vreemd aan onze tijd en cultuur
de beeldspraak van de herder ook is geworden, psalm 23 heeft kennelijk nog niet
aan kracht ingeboet.
Vasalis
kiest Hij zal mij leiden langs grazige weiden / naar waatren der rust,
grotendeels de berijming van J.J.L. ten Kate[17],
als motto voor haar gedicht Nu word ik nooit meer radeloos[18],
waarin de groene weiden staan voor het leven en de dood gezien wordt in
de oude wateren der rust. Psalm 23 wordt dank zij vers 4, Zelfs al ga
ik door een dal van diepe duisternis (ook vertaald als: dal van de schaduw des
doods), ik vrees geen kwaad, traditioneel verbonden met sterfbed en
begrafenis. Vasalis sluit bij deze traditie aan, maar bij haar is niet het
metafysische perspectief dat de dood zijn vreeswekkendheid ontneemt, maar het
aspect van rust.
Voor de meeste dichters is het echter anders: psalm
23 prikkelt vaak tot tegenspraak. Allereerst natuurlijk bij Anton Korteweg, die
er één gevoelscomplex met de gelijkenis van het verloren schaap van maakt
(Mat.18:11-14), waartegen hij zich heftig verzet. In de eerste regels overheerst
psalm 23, vanaf regel 3b de gelijkenis, vermoedelijk in een soort
zondagsschoolversie:
Zoek
Liever is het mij te dwalen door het dal van
diepe duisternis, in mijzelf verward en
vrezend alle kwaad, verlangend naar
wie ik ontvlucht ben, dan dat ik het moet
meemaken dat je me weervindt, weerloos en met
horens verstrikt in de struiken natuurlijk.
En dat je mij dan dragen zou en terug
zou voeren naar de grote kudde waarvan jij
altijd al wist dat ik daarvan een heel,
een heel klein schaapje was, natuurlijk. Nee
Spaar mij de ontferming van
die reddende armen van jou.[19]
Het
verzet van de dichter richt zich tegen het beeld van de volstrekte
afhankelijkheid van het verloren schaapje, dat alleen maar als onderdeel van de
kudde onder leiding van de herder kan leven, een beeldvorming waarvan de
gelijkenis eerder dan de psalm de bron is. De donkere beelden, dwalen door het
dal van diepe duisternis en vrezend alle kwaad, zijn eigenlijk ene omkering van
wat de psalm wil zeggen. Immers ook daar is Gij, en daarom wordt er juist
geen kwaad gevreesd. In dit gedicht is het beeld echter wel consistent, daar de
ik de Gij juist heeft losgelaten en bereid is de consequenties van
diepe duisternis en vrees voor alle kwaad te dragen. Het wekt geen verbazing dat
de beelden van geborgenheid van psalm 139 door Korteweg benauwend worden
gevonden, maar in zijn gedicht bij psalm 139, Goed, wij samen, toch, dat
hij voor Nieuwe psalmen schreef, komt
hij uiteindelijk tot een heel andere slotsom dan in Zoek: Enfin,
gebonden zijn, gekend, in iemand zijn, erg is het, maa / niet is nog erger
misschien. (
) Ken me dan maar, weet wie ik ben en doe maar.
Bij Hans Bouma betreft het verzet - op zich al verrassend voor een
dichter-dominee - meer het lid zijn van de kudde, die in de psalm ongenoemd
blijft. Als weerstand wekkende eigenschappen van de kudde worden domheid
gesuggereerd (geblaat) en materiële welstand (op het droge).
Psalm in mineur
De Heer is mijn herder
maar mij ontbreekt veel,
want ik geloof wel in zijn staf
maar niet in zijn kudde,
wel in zijn stem,
maar niet in het geblaat,
wel als een zwart schaap
op een afstand
maar niet van nabij
als een op het droge.[20]
Ook
de cabaret-achtige parodie van Leo Herberghs[21]
belicht vooral het aspect van de kudde, het leven van de burger dat geheel
geregeld en bestuurd woordt door de heren leiders.
Het verzet tegen de psalm van Michel van der Plas is
intenser en existentiëler. Hij blijft heel dicht bij de oorspronkelijke tekst,
neemt daar veel woorden en beelden van over soms alleen als een verzwegen
rijmwoord, zie de eerste regel maar mede daardoor is zijn protest zoveel
feller en schuurt het dichter aan tegen de essentie van de psalm. Ondanks de
scherpe ontkenning vind ik dit een bij uitstek gelovig gedicht. Het verwoordt
iets van de nacht-ervaring die veel mystici kennen. De eenmaal
gevoelde aanwezigheid van God maakt Zijn afwezigheid, Zijn onbereikbaarheid,
Zijn verder-zijn des te pijnlijker, en het verlangen naar de ervaring van Gods
aanwezigheid beheerst het leven, ook het dagelijks leven en de mogelijkheid tot
genieten, en is zo dwingend dat het zelfs afkeer oproept.
Psalm
De Heer is mijn verder. Hij laat mij missen:
roes, aarde, nu. Laat mij te weinig zijn
en wensen. Drijft mij op naar duisternissen
van bos en braakland, in een perk van pijn.
Is mijn elders. Laat hemelen verhalen
de macht, de glorie. En houdt mij doodsbang
over mijn dorst gebogen. Zendt zijn stralen
bij mondjesmaat. En wacht, mijn leven lang.
Mijn vijand drinkt en doezelt voor mijn ogen.
De kinderen zingen van een vergezicht.
De Heer is mijn eenmaal. Ik moet nog hoger.
Zijn heil en zegen zullen op mij jagen,
mijn leven lang. Ik zal het dwingelandslicht
zien, haten en verlangen, al mijn dagen.[22]
Rutger
Kopland heeft psalm 23 meermalen in zijn gedichten gebruikt. Het eerst deed hij
dat in Een psalm, waarin de grazige weiden en rustige wateren die hij op
het behang van zijn kinderkamer ziet, ook hier weer voor geborgenheid lijken te
staan. De gevoelens zijn echter op zijn minst ambivalent, want hij denkt aan
zichzelf terug als een bang kind, en herinnert zich van zijn (geloofs)opvoeding
vooral het gebed om vergeving. Nu, volwassen geworden, relativeert hij de
noodzaak of de mogelijkheid? daartoe en ervaart hij het bij die weiden
en wateren horende vee als vredig. De bedreiging die er evengoed op zijn beurt
voor zijn kind van uitgaat, wordt veroorzaakt door de grote lijven en niet door
enige religieuze context. De beelden uit psalm 23 staan zo wel voor geborgenheid
en vrede, maar het is hier juist niet de geborgenheid van de jeugd, maar die van
de volwassenheid die zich door geen geloof meer angst laat aanjagen.
Een psalm
De grazige weiden de rustige wateren
op het behang van mijn kamer
ik heb geloofd als een bang kind
in behang
als mijn moeder voor mij gebeden
had en mij weer een dag langer
vergeven was bleef ik achter
tussen roerloze paarden en koeien
te vondeling gelegd in een wereld
van gras
nu ik opnieuw door gods landerijen
moet gaan vind ik geen schrede
waarop ik terug kan keren, alleen
een kleine hand in de mijne
die zich krampt als de geweldige lijven
van het vee kreunen en snuiven
van vrede.[23]
In
Al die mooie beloften, van zon vijftien jaar later herneemt de dichter
de eerste regels van Een psalm, naar aanleiding van een liefelijk
landschap, misschien beleefd tijdens een vakantie in een kennelijk katholieke
streek, want er hangt een kruisbeeld aan een boom.
Al die mooie beloften
De grazige weiden, de stille wateren,
ik heb ze gezocht en inderdaad
gevonden, ze waren nog mooier
dan mij was beloofd,
prachtig.
En in dit liefelijk landschap de zoon
van de maker, aan een boom genageld,
maar geen spoor van geweld
of verzet, alleen maar
vrede, rust.
Zijn lege ogen kijken het landschap in,
om zijn mond spelen eeuwige vragen,
waarom dan, wie ben je,
waar was je, e.d.
Zonder verwijt, hij moet hebben geweten
wat er zou gaan gebeuren.
Ik heb geen antwoord.[24]
Kopland
zet een navrante tegenstelling neer tussen een liefelijk, je zou bijna zeggen
paradijselijk, pastoraal landschap en het lijden dat in het kruisbeeld
weergegeven wordt. Het vreemde is dat dat lijden als het ware gemaakt is door de
kunstenaar, zoals dat wel vaker bij kruisbeelden het geval is: geen spoor van
geweld of verzet, alleen maar vrede, rust. De oorspronkelijke bedoeling van
het kruisbeeld, de verwijzing naar onze verlossing door de kruisdood van Jezus,
speelt voor de dichter geen rol. Niettemin stelt het beeld wel eeuwige vragen,
waarin op de achtergrond o.a. psalm 22 en de vraag aan Adam (Gen.3: 6)
doorklinken. De ik heeft er geen antwoord op, niet alleen niet op die
eeuwige vragen, maar, gezien het feit dat dat de slotregel is, op de situatie
als zodanig, die combinatie van een liefelijk hier en nu met de aanduiding van
lijden op een andere tijd en plaats. Het is goed mogelijk dat Kopland in dit
gedicht een metafysische lading van de werkelijkheid, van de natuur, ontkent,
zoals Van Riessen[25]
en Zuiderent[26] menen, maar op basis van
alleen de tekst van het gedicht is het ook mogelijk het accent anders te leggen:
het besef van menselijk lijden elders (misschien zelfs een vaag gevoel van
medeverantwoordelijkheid daarvoor), dat ook mooie, vreedzame momenten
doordringt. De liefelijke beelden van psalm 23 zijn als het ware het
vertrekpunt: de grazige weiden en stille wateren zijn misschien nog wel te
vinden, maar nooit meer onaangetast en onbesmet.[27]
De
titel van dit gedicht wordt verder uitgewerkt in een korte cyclus,
Natzweiler uit 1985, waarin opnieuw psalm 23 figureert, en ook het
liefelijk landschap uit Al die mooie beloften. Zoals die titel al
doet voorvoelen, fungeert de psalm hier vooral om een scherpe tegenstelling neer
te zetten tussen het geloof, hier in de vorm van een belofte, en de
werkelijkheid. Het eerste gedicht van de cyclus luidt:
En daar, buiten het prikkeldraad, het uitzicht,
zeer liefelijk landschap, even vredig
als toen.
Het zou hen aan niets ontbreken, ze zouden
worden neergelegd in dat grazige gras,
worden gevoerd aan die rivier van rust,
daar in de verte. Het zou.[28]
Van
wie de belofte in strofe 2 afkomstig was, wordt verzwegen. De mogelijkheid
blijft open dat (ook) gedoeld wordt op de loze beloften waarmee de nazis de
deportaties zo soepel mogelijk probeerden te laten verlopen, dat het om
werkkampen ging bijvoorbeeld. Maar even sterk is de suggestie dat de joden die
hier zijn omgekomen in de steek zijn gelaten door hun God, op wie zij net zo hun
vertrouwen hadden gesteld als de dichter van psalm 23. Ook het tweede gedicht
vertoont ambiguïteit: de ik speurt de vensters af van de barakken en gaskamer
maar ziet alleen de zwarte spiegeling van verte (
) van vredig landschap,
en daarachter, niemand. Speurt hij naar de gezichten van de slachtoffers,
voorgoed verdwenen, of ervaart hij de verlatenheid van de plaats als
godverlatenheid? In het derde gedicht voelt hij de afwezige slachtoffers zo
sterk, dat het lijkt alsof zij in of door het landschap hun armen om hen heen
slaan. Ons ontbreekt het aan niets zeggen zij, / wij zijn deze wereld
vergeten. Deze relatieve troost zou psalm 23 zijn geldigheid
hergeven, maar dan schudt de dichter zichzelf wakker: maar het zijn geen
armen, / het is landschap. Geen metafysica, slechts de bitterheid van niet
vervulde hoop op een mooie belofte.
In het vierde gedicht, over de vergeelde fotos in de vitrines daar,
zou in de slotzin het thema van de medeverantwoordelijkheid gehoord kunnen
worden: Hun gezichten zijn tot de wereld / gaan horen, de wereld / die
zwijgt. Zo ook, maar dan meer heden- of toekomstgericht, de slotzin van het
vijfde en laatste gedicht, waar over het pas geverfde Lager wordt gezegd: als
nieuw is het, alsof er nog niets / is gebeurd, alsof het / nog moet.
Psalm
23 is niet de enige psalm die in mosderne poëzie geciteerd wordt. Citaten uit
andere psalmen worden wel gebruikt om een bepaalde sfeer op te roepen of de
wereld van de jeugd present te stellen. Maar dat werkt alleen als het om
algemeen bekende bewoordingen gaat of om een karakteristiek, meestal archaïsch
klinkend taaleigen dat moeiteloos met
die geloofswereld geassocieerd kan worden.
Bij Korteweg komen we in het eerder geciteerde
Quis non fleret? een citaat uit psalm 84 tegen, over het nest waar het
musje een huis vond, zwaluwen hun jongskens nedervlijden, dat het gevoel van
geborgenheid van het ouderlijk huis uitdrukt. Het archaïsche jongskens
niet uit de psalm afkomstig versterkt het effect van een voorgoed
voorbije tijd nog. In een ander gedicht, Liefst niet verwijst Korteweg
vooral naar Exodus; hij noemt het dagelijks bestaan een ijzeren diensthuis
voor acht uur per dag en het huis van zijn gezin is niet zo wijd, maar uit
beide wil hij toch liever niet uitgeleid worden. Niettemin verwacht hij dat er
een moment kan komen dat het anders zal zijn: heb ik niemand / dan jou, wil
ik weg, dan zal ik toch, vrees ik je vragen / om dekking. Dan vervolgt hij
met een psalmachtige uitspraak: Mag je je hand uitstrekken tegen hen / die me
belagen. En redden. (vergelijkbaar met psalm 138:7 of 144:7)[29].
J. Eijkelboom besluit een gedicht over zijn gevoel
van welbehagen in een lege stad op zondagmorgen, waar dan het kerkvolk
verschijnt, met een regel uit psalm 121: want mijn behoeder sluimert niet.[30]
En Hanny Michaëlis verwijst in de laatste strofe van een titelloos gedicht naar
psalm 139, waarbij het overigens in het midden blijft of ze God aanspreekt of
wellicht de gestorven geliefde:
Jij die al mijn wegen kent,
die mij ontcijfert en gelezen hebt,
blijf bij mij
onzichtbaar, onhoorbaar
en leid mij over de drempel
van de dood.[31]
Al
deze citaten cirkelen rond de notie van geborgenheid, maar de meeste Michaëlis
is de uitzondering maken de indruk toch vooral Spielerei te zijn, een niet
letterlijk te nemen verwoording van een gevoel in een taaleigen dat dat gevoel
tegelijk ironiseert.
Anders is het in gedichten die het thema Uit de
diepten omspelen. Dergelijke gedichten zijn met een wezenlijke twijfel
doorweven of Degene die geroepen wordt er ook werkelijk is. In een gedicht van
J.W. Schulte Nordholt, dat vrij luchtig begint, maar qua strekking toch
diep ernstig is, slaat de twijfel tenslotte om in zekerheid. De openingsstrofe,
beginnend met een regel uit psalm 22, luidt:
De Allerheiligste troont
op de lofzangen Israëls.
Ik kijk van de heuvel omhoog
of de hemel ook open is.
De
dichter ziet God niet, en realiseert zich dat de rook van mijn woorden Hem
verhult. Maar hij eindigt dan:
Maar alleen maar mijn zingen geeft
mij de zekerheid dat Hij er is.[32]
Waar
het Uit de diepte van psalm 130 explicieter genoemd wordt, staat de
twijfel meer op de voorgrond. Het blijft de vraag of het roepen wel gehoord
wordt, laat staan of er antwoord komt, zoals in het op tegenstellingen gebouwde
God roept u
In koele neonletters schrijft U elke avond
vanaf het dak der Goede Herder-kerk
dat U mij roept. Ik roep U ook wel eens,
maar uit de diepte. Schreeuwend. Met mijn stem.[33]
Ida
Gerhardt stelt in haar De profundis de vraag naar het gehoord worden niet
direct, maar haar vraag naar het waarom van het niet ingrijpen van God komt daar
wel op neer. Behalve het psalmcitaat van de titel, gebruikt zij ook een citaat
uit Jesaja in de voorlaatste regel.
De mens die waar zijn dode slaapt
de anderen zachtzinnig weert,
opdat de liefste niets geschiedt;
en zwijgt, en binnengaat wanneer
waar het met bloemen is verfraaid
de schroeven worden aangedraaid, -
om hèm heb ik mij afgevraagd
zo làng ik leef, en altijd weer,
mij afgevraagd waarom gij niet
- wachter, wat is er van de nacht?
komt en uw engelen ontbiedt.[34]
Meer nog dan psalm 130 geeft psalm 22 met zijn
heen-en-weer tussen wanhoop en vertrouwen, stof tot dergelijke vragen. En meer
nog dan individuele lotgevallen ligt voor velen de Shoah aan de wortel van de
twijfel over Gods horen van ons roepen en van de waarom-vraag over Zijn niet
ingrijpen. Zo luiden in Nieuwe psalmen
de laatste regels van Psalm 22: De uitstap naar Basjan van Frans Roggen
(met daarin een citaat van de vertaling Gerhardt/Van der Zeyde):
(
) De kinderen van Babi Jar vertrappeld
door de stieren van Basjan zijn verkwikt weer
opgestaan, hebben uw lof verkondigd: Gij deedt
ons de moederschoot uitgaan, aan haar borst hebt
Gij ons gevlijd; ù vielen wij toe, nauwelijks
geboren, van onze oorsprong af waart Gij onze
God. En dat hebben wij geweten. Waarom bleeft
Gij zo verre van ons: toen wat ons dreigde was
genaderd, maar geen mens, geen god, die hielp.
Ook
Marjoleine de Vos stelt de vraag of God eigenlijk wel hoort expliciet. Haar bundel Zeehond graag[35]
heeft geluk en onvervuld verlangen als thema. De context van de bundel als
geheel verheldert de afzonderlijke gedichten. In veel gedichten is sprake van
een ik of een personage mevrouw Despina, die overeenkomst vertonen met de
dichteres zelf, die columniste en recensente is bij NRC-Handelsblad. De eerste
gedichten kenmerken zich door aandacht voor kleine details in het dagelijks
leven waaraan een geluksbeleving ontleend wordt, maar meteen wordt ook een thema
aangesneden dat later belangrijker wordt. Na een opsomming van allerlei dingen
en gebeurtenissen die het geluk doet en beleeft, eindigt het eerste
gedicht met: Het geluk ligt graag in bed. Het is getrouwd / heeft tot zijn
verdriet geen kinderen maar / het geluk houdt zich groot. Dat verdriet wordt
in al zijn heftigheid gethematiseerd in
Mevrouw Despina knielt niet
Ik riep u, hoorde u mij niet?
mompelt mevrouw Despina of zwijgt
tegen de wolken in hun hartstochtelijk
verlaten blauw. Ze riep of hoopte
te roepen, boog soms het hoofd, knielde niet
opende nooit haar hand naar de toekomst.
Mijn hart verlangt zong ze naar u?
Iemand lopen leren, het zachte beschermen
In ijzeren armen, koekjes kneden.
In mij vloeit het over schrijft mevrouw Despina
in slecht geadresseerde brieven. Trekt dagelijks
de deur achter zich dicht, neuriënd
over vrede valt ze uit bed, tikt angstig
haar mening in de krant Ik riep u
of huilt haar hart Waar was u om
ontferming, belachelijk, hardnekkig tegen
wie horen wil. Zo kan het niet langer, nee
en kijk, het lichtgroen op de vensterbank
gloeit op als gras denkt mevrouw Despina
in de morgenstond bloeit het.
De
eerste regel is een ontkenning van verzen uit bijvoorbeeld psalm 4 en 22: de here
hoort als ik tot Hem roep. Mijn hart verlangt naar u lijkt een
eigen versie van het begin van psalm 42, en het gedicht eindigt met een citaat
uit psalm 90. De functie van dit citaat is niet meteen duidelijk. Is het gewoon
een associatie die opgeroepen wordt door het jonge groen dat mevrouw Despina op
de vensterbank ziet? Of dient het tot relativering van het hier en nu en daarmee
van het eigen verdriet? In de psalm is het gras dat in de morgenstond bloeit en
s avonds verwelkt immers een beeld voor de vluchtigheid die zelfs duizend
jaren voor God zijn. In elk geval is het duidelijk dat de eerdere
psalm-verwijzingen de pijn van het onvervulde verlangen, de ervaring van niet
verhoord worden, effectief weergeven. Daarmee blijft het begin van het gedicht
ondanks de eerder gesignaleerde ontkenning binnen de belevingswereld van
de psalmen, zoals dezelfde psalm 22 laat zien ,Mijn God, ik roep des daags,
en Gij antwoordt niet.
In het op één na laatste gedicht van de bundel figureert psalm 90
opnieuw. Hier wordt de vluchtigheid van het leven gezet naast de lange duur van
ongelukkig en angstig wachten, maar ook naast het intens beleven van het kleine
moment. De laatste strofe, beginnend op een manier die aan Prediker doet denken,
stelt de vraag wie het leven zo vluchtig als stof ziet, misschien eigenlijk: of
er Iemand is die het leven zo van verre ziet. En in de laatste regel kan ook de
impliciete vraag gehoord worden of alles zo voorbestemd is, maar zonder dat aan
het antwoord troost ontleend wordt, lijkt me. De troost in dit gedicht en in de
bundel als geheel wordt gezocht in het oog hebben voor en genieten van het
kleine geluk dat het moment te bieden heeft.
Mevrouw Despina leest een psalm
Gelijk het gras, een slaap, de dag van gisteren
zo kort zou het zijn, zo niets dan een zucht.
Maar lang zijn de middagen angstige nachten
en in de kast tikt het geheugen van jaren
dat nooit meer het weerkomt of goed.
Soms ziet ze een koolmees zo hevig in leven
seconden zijn telbaar als pindas en tranen, soms
kent ze een barst in de verf, in de winter
weet ze de zon zeer stipt op de vloer
en lacht om de vuurrood buigende tulpen.
Loont het de moeite wie zal het ons zeggen
in wiens oog vliegt elk leven tot stof
onverschillig als zand van het pad
dat trouw tot het einde de kaart volgt.
Moderne
dichters kunnen ook door toon, vorm of inhoud van de 150 oude liederen meer
indirect geïnspireerd raken en zo een eigen, nieuwe psalm schrijven, zonder dat
er gereageerd wordt op een specifieke psalm of bepaalde zinsneden worden
overgenomen. Ook van voordat de redactie van Parmentier daartoe dichters uitnodigde, zijn daar duidelijke
voorbeelden van te vinden. Doordat de oorspronkelijke psalmen zo veelstemmig
zijn, en er soms zelfs binnen één psalm zoveel toonaarden klinken, is de
speelruimte van die traditie groot. De dichter kan geheel in de lijn van de
traditionele gelovigheid gaan staan, zoals Michel van der Plas, en hij kan
daarmee in discussie gaan, zoals J.B. Charles. Hij kan, als Hans Andreus, in
moderne taal hetzelfde wanhopige roepen en zoeken van sommige psalmen
verwoorden, en hij kan juist het typische taaleigen van de psalmen gebruiken om
dubbele bodems in zijn tekst te leggen en spel en ernst onontwarbaar te
vermengen, zoals bij Gerard Reve voorkomt. En ten slotte kan de dichter de
grenzen verkennen en misschien verleggen van wat tot de geloofswereld
van de psalmen gerekend kan worden.
Een voorbeeld van het eerste type is Psalm van
Michel van der Plas[36]
met als eerste regel Een nieuw lied voor den Heer die de vogeltjes schiep.
Het is een uitbundige lofzang waarin God als schepper geprezen wordt, als
schepper van de prachtige en veelvormige natuur, maar ook als bron van de
menselijke scheppingen: Een nieuw lied voor den Heer die van ieder nieuw lied
/ het ontstaan en de maker is. Händel en Homerus worden genoemd, het het
gedicht eindigt met de retorische vraag want wie geeft u de liederen dan
hij? Van de psalmen is de stijlfiguur van de herhaling en de parallellie
overgenomen. Zeven keer Een nieuw lied voor den heer die
, waarna vele
keren de zin hernomen wordt met een nieuwe invulling van die
. Op het
laatst wordt het zij gezegend van En zijn naam zij gezegend
herhaald, alsmede de oproep te loven: O gij wateren looft, en gij landstreken
looft in een zesvoudige aanspreking van onderdelen van de natuur. In deze
Psalm, die dicht aanligt tegen de reeks psalmen 147-150, wordt er niets
geproblematiseerd, niets in de persoon van God als schepper, en niets in de
schepping zelf.
Dat ligt al iets anders bij een eveneens uitbundige
lofzang van J.B. Charles, Een psalm[37]
die in beelden en woordgebruik moderner aandoet dan die van Michel van der Plas.
Ook dit gedicht begint als lofprijzing van God als schepper van zelfs de
kleinste details in de natuur (maar zonder de expliciete oproep tot loven), maar
dan verschuift het accent van scheppen naar besturen. De werkwoordsvorm
verandert daarbij van verleden in tegenwoordige tijd. Maar het is duidelijk dat
het beeld van God als almachtige voorzienigheid niet alleen het puur positieve
omvat, al wordt het algoede van God niet in twijfel getrokken.
Hij is een ontploffing.
Hij geeuwt en de wereldens nellen uiteen.
Hij dacht nog en de zon vloog al in brand,
één woord, en de kristallen bouwden hun ruimtepatronen,
uit het niet ontvouwden zich varens.
( )
Hij ordonneerde het netwerk op de meloen.
Hij friseerde het haar van iedere nieuwe neger.
Hij kalmeert de os en treitert de poema.
Hij kommandeert de termieten,
de bakteriën staan onder zijn bevelen,
die van de wijngist en die van de tbc.
( )
Hij kan de mensen zegenen met het leed
dat zij elkander aandoen
en met hun goedheid straffen.
Hij alleen kan met een kromme stok
rechte slagen slaan, met onrecht
recht doen want Hij is God,
( )
Vervolgens
kruipt er iets problematisch het gedicht binnen met de reactie van de mensen,
die Gods grootheid niet erkennen. In de bede aan God hen daarvan toch te
doordringen, komt tegelijk naar voren dat Gods grootheid ook schrikwekkend is,
waarmee het gedicht terugkeert naar de beginregel. Het gedicht vervolgt na
bovenstaand citaat:
en het kenteken van goddelozen is
dat zij bluffen: dat kunnen wij ook.
Spuug in het stof van de straat en wrijf
met een vingervol slijk onze ogen
open voor Uw grootheid.
Laat het Vlees de springlading zijn
en het Woord dynamiet, heilige Taal
bekruip de lont en wees,
God, nog één keer de explosie:
sla los wat zich vast wil zetten,
ruk uiteen wat zich konsolideren wil,
zodat wij in zware verdrukking,
ja, in doodspaniek nog slechts uitbrengen:
God, mijn Verrukking!
Meteen
na deze verheven taal verschijnt de menselijke maat in het volgende gedicht:
Een kleine psalm
in de mond op straat mogen lopen,
met de duimen in zijn vest,
want Hij is God
Maar Hij doet het niet
want Hij is God.
Diezelfde
combinatie van verheven en alledaags menselijk is binnen één gedicht te vinden
in Oude psalm nieuw van een paar decennia later. Daarin maakt Charles,
zelf van gereformeerde origine, het christelijke geloofsgoed (of een onderdeel
daarvan) tot iets problematisch. Het begint zo: Niets is o oppermajesteit
/ bedekt voor uw alwetendheid, en eindigt met : Het is uw plan dat het zo
moet. / Maar nu nog mee te drinken van uw bloed / dat weiger ik. t Is zo wel
goed.
Recht
in de traditie van de psalmen, maar niet in die van de traditionele gelovigheid,
staan gedichten waarin blijk gegeven wordt van een aangevochten geloof, maar die
zich evengoed direct tot God richten in een roep om toch gehoord te worden. Het
zijn De profundis-gedichten zonder dat die term valt. Bij Hans Andreus
zijn daarvan mooie voorbeelden te vinden, in Laatste gedicht,
Steeds, in de korte cyclus Naam en in Een psalm[38],
dat hij zelf kenschetst als dit lied van tegenzin / deze zich krommende /
hanepoten, dit / wrokkend gestotter, en dat tenslotte uitmondt in de
noodkreet, de oerschreeuw van de psalmen: in het tenslotte / verstommende /
woord, hoor mij, Heer.
Behalve in deze slot-uitroep is er in het woordgebruik van Andreus niet
veel dat aan de oorspronkelijke psalmen doet denken, al is de geestesgesteldheid
van dit en andere gedichten er niet moeilijk in terug te vinden. Gerard Reve[39]
daarentegen maakt graag gebruik van het taaleigen van de psalmen, zonder er
overigens rechtstreeks uit te citeren. Het is niet altijd even duidelijk hoe
zijn gedichten opgevat moeten worden, mede doordat de interpretatie beïnvloed
kan worden door andere, door orthodoxe lezers als blasfemisch ervaren teksten
van de dichter en achtergrondkennis over zijn persoon met zijn hang naar het
theatrale en zijn erotische, sadomasochistische kleuring van het christelijk
geloof. Evenals in zijn proza mengt hij verheven woorden met banale, en ook
verheven gedachten met banale omstandigheden ([
] Toen hij weer weg was,
dronk ik uit zijn glas, / en trok mij hijgend af. / Hoor dan mijn stem, o
Eeuwige, Gedenk U toch aan mij, [
] in Gedicht voor mijn 39ste
verjaardag; zie ook Een nieuw paaslied). Ook kan het gebeuren dat de
lezer door de titel van een gedicht op een bepaald been wordt gezet, waardoor
hij de oprechtheid van de in het gedicht uitgesproken gevoelens of gedachten wel
in twijfel moet trekken, bijvoorbeeld het bekende gedicht dat begint met
Eigenlijk geloof ik niets, / en twijfel ik aan alles, zelfs aan U. Het is
een zuiver en eenvoudig gedicht, dat Reve echter de titel Dagsluiting
heeft meegegeven. Ik heb de indruk dat hij het zo achteraf wil ironiseren, alsof
hij - uit gêne? - de lezer in het ongewisse wil laten of hij het nu meent of
niet. Datzelfde is aan de hand met het gedicht Altijd wat:
Omdat ik niet meer slapen kan, klim ik uit bed.
Het is half vier. De dag verheft zich, en ik zie
Uw gruwelijke Majesteit.
Wanneer ik dood ben, hoed dan Teigetje.
Andere
voorbeelden zijn Drinklied, Het is maar net zoals je het bekijkt,
Oost, west. Er is in de afdeling Zangen van strijd in zijn Verzamelde gedichten, waar alle hier besproken gedichten uit
afkomstig zijn, één gedicht dat niet
ironisch gelezen kan worden en geen twijfel laat over de oprechtheid, het
bekende Graf te Blauwhuis, waarin het graf van een achttienjarige,
gesneuvelde buurjongen de dichter brengt tot de uitroep:
Gij, die Koning zijt, dit en dat, wat niet al,
ja ja, kom er eens om,
Gij weet waarom het is, ik niet.
Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?
Zeker
de aanloop, maar ook de vraag zelf is brutaler en spreektaliger dan Ida
Gerhardts De profundis maar het is precies dezelfde wanhoop die tot
precies dezelfde vraag leidt.
In de taal van de psalmen, met een daaraan herinnerende woordkeus,
parallelle strofebouw, en een refreinregel, is ten slotte Psalm 151. Een
antipsalm van Ron Elshout. Indirect wordt de vraag naar Gods betrokkenheid
bij de Shoah gesteld, zoals we eerder bij Frans Roggen en Rutger Kopland zagen,
directer die naar de verantwoordelijkheid van mensen. In de laatste strofe wordt
die vraag voor een deel beantwoord door de oproep met het woord de
slachtoffers (in de herinnering) levend te houden. Er zou een verband gelegd
kunnen worden met Elshouts gedicht bij psalm 1, dat over het begin van het
dichterlijk proces gaat.
Psalm 151
Een anti psalm
Wie zouden zij de lof moeten zingen,
wier sap veranderde in zomerdroogte,
wier tong kleefde aan hun gehemelte,
die baden: laat ons leven naar uw
woord, laat de heidenen weten,
dat zij mensen zijn, dat wij
mensen zijn.
Wie bestonden in koude, vuur,
rook die op de verborgen
vleugels van de wind verwaaide, hun
asse verstrooid als rijm, hun
gedachtenis is niet met hen vergaan,
maak hen levend naar het woord.
Rijm verstrooit zich als as.
Zij zijn afgesneden van voor ons oog,
maar onze ogen hebben het gezien:
het sperren hunner mond wijd open.
Houd hen levend met het woord.
Een
aparte plaats in het genre van de eigen psalmen nemen die van Leo Vroman in. In
hetzelfde jaar als Nieuwe psalmen, de
door de redactie van het tijdschrift Parmentier
geëntameerde bundel van verschillende auteurs, verscheen zijn Psalmen
en andere gedichten. Niet toevallig: het verzoek van de redactie van Parmentier
was voor Vroman de prikkel die uiteindelijk in een serie van veertien psalmen
resulteerde. Over gebrek aan belangstelling of waardering heeft deze bundel,
anders wellicht dan Nieuwe psalmen,
niet te klagen gehad. Veel recensenten beschouwen de psalmen van Vroman als een
hoogtepunt van het 160 bladzijden tellende boek, soms zelfs van zijn
hele oeuvre. Drie jaar later, in 1998, verscheen De
roomborst van Klaas Vaak, dat opnieuw opende met veertien psalmen, plus één
engelstalige. Ze worden dit keer niet aangeduid met een Romeins cijfer, maar als
bijvoorbeeld Psalm voor het kleinste insect of Een psalm voor het
kleden. En in zijn volgende bundel, Details,
komen opnieuw, maar nu gespreid, veertien Nederlandse psalmen voor en zes
Engelse. Het meest in het oog springende van al Vromans psalmen is dat zij
steevast beginnen met het aanroepen van Systeem.
Elders[40]
vertelt Vroman dat de redactie van Parmentier
ter illustratie van haar verzoek hem de tekst van psalm 30 toestuurde, een
danklied na uitredding uit door vijanden veroorzaakte nood. Vromans eerste
reactie was: Wat een Rotgod. In een woord vooraf in een bibliofiele
uitgave van zijn eerste psalmen schrijft hij: God is in de loop van millennia
ineengekrompen door onze pietluttige gebeden: die van vijanden om elkaar te
verslaan, van zieken om te genezen, van gokkers om winst. Wel wil ik geloven in
een Systeem dat onmenselijk groot is en dat ons menselijk heelal, en elk ander
heelal, waarin ieder en alles een onbegrijpelijk mooie plaats inneemt,
bestuurt. In Psalm I en later in Een psalm voor psalmen[41]
geeft hij dan ook te kennen niets te zien in allerlei mensvormige beelden van
God, en neemt hij afstand van een heel brok bloederige bijbelse en
kerkgeschiedenis, die het hem onmogelijk maakt in de traditionele woorden over
en tot Gij te spreken:
Systeem! Gij spitst geen oog of baard
en draagt geen slepend kleed;
hij die in U een man ontwaart
misvormt U naar zijn eigen aard
waar hij ook niets van weet.
Systeem, ik noem U dus geen God,
geen Heer, of ander Woord
waarvan men gave en gebod
en wraak wacht en tot wiens genot
men volkeren vermoordt.[42]
In
Een psalm voor het kleden formuleert hij dezelfde gedachte anders, de
gedachte waarin men ook Hans Andreus (maar onvoorstelbaar naamloze, jij die /
bekleed werd en omkleed met zoveel namen / waar niemand meer van weet of weten
wil[43])
en Schulte Nordholt (De rook van mijn woorden stijgt omhoog en verhult
Hem, uit het eerder geciteerde gedicht) terug kan vinden:
( )
Zijt Gij zo zwaar door ons vermomd
dat ons een waanbeeld eeuwenoud en
steeds weer onder nieuwe fouten
overgroeid, vervloekt, verstomd,
niets beters dan zichzelf ontlokt?
Zijt Gij zo zwaar door ons gerokt
dat ik U eeuwig moet ontkleden:
(
)[44]
De
vraag werpt zich nu op of Systeem, dat hij blijkens een interview ook
bijvoorbeeld Principe had kunnen noemen, alleen in woorden en beelden van
God verschilt. Welke eigenschappen en daden worden aan Systeem
toegekend? Het wordt getekend als de oorsprong van de hele kosmos, krijgt zo de
trekken van Schepper, maar misschien meer nog van het hele samenstel van
natuurwetten. In die zin maakt de ik ook deel uit van Systeem. Al
noemt Vroman in zijn bovengeciteerde Woord vooraf nadrukkelijk het besturen van
dit en alle andere heelallen, in zijn psalmen is dat besturen marginaal, anders
dan in de eenmaal bepaalde ordening.
Het meest opvallende verschil is natuurlijk dat tussen de antropomorfe,
in elk geval persoonlijke God, en het onpersoonlijke van een benaming als
Systeem. Maar het loutere feit dat Systeem aangesproken geeft het toch ook een
persoonlijk tintje. Bovendien heeft Systeem ook een stem (II) en adem (V), kan
woorden spreken (IV), heeft een wil en een bedoeling (VIII), is eenzaam (Een
psalm voor eenzaamheid; vergelijk Reves Dagsluiting!). De grootste
overeenkomst tussen dat toch niet zo onpersoonlijke Systeem en de God van de
psalmen is wel dat de dichter soms haast wanhopig zoekt naar contact met
Het/Hem:
(Uit Psalm II:)
Zult Gij ooit zijn waar ik U prijs
in alle richtingen op reis
dan bid ik U te doen alsof
mijn stof mag paren met Uw Stof.
(Uit Psalm V:)
Want soms ben ik uit pure nood
Uw jongste of zwakste kind
en wil zo vreselijk op Uw schoot
desnoods de kleine billen bloot
benoederd en bemind
( )
Aanvaard mij daarom als een vriend
liefst onervaren, onverdiend,
maar wetend hoe ik U mis
wanneer uiteindelijk helderziend
mijn lichaam, doof en blind gegriend,
mag voelen Wie U is.
Maar het besef van de volkomen onkenbaarheid van die Ander staat de verlangde intimiteit in de weg.
(Uit Psalm II:)
Hoe dicht Gij zijt hoe meer nabij
Hoe meer verwart Uw oproep mij.
Uw stem herhaalt zich andermaal
waarheen ik U maar ademhaal,
kaatst in het hol van elke cel
waarin ik zelf de waarheid spel
maar laat mij hoorziek en ontheemd
en al Uw woorden zijn mij vreemd.
Maar
nadat de dichter zich in Psalm V eerlijk heeft afgevraagd of Systeem
missschien niet alleen maar een gedachtespinsel van hemzelf is, projectie
zogezegd (Systeem! Is dit een tweegesprek / of een met U alleen? (
) alsof
ik U pas deze nacht / in doodsnood en toch onverwacht / uit hoofdpijn heb
geschapen.), constateert hij in Psalm XIV, de laatste van de eerste
reeks, dat er geen contact mogelijk is, waarbij wie weet het woord
aangezicht zou kunnen rijmen op vriend uit Psalm V, in een
verwijzing naar Exodus 33:11, En de here
sprak tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals iemand spreekt met zijn
vriend.
Ik zwijg, ik zie U al verdwijnen
zonder een zweem van aangezicht:
geen huid glanst en geen ogen schijnen,
niet in mijn droom, niet in mijn brein en
niet in dit gedicht.
Naast
de afkeer tegen het betrekken van God in getier tegen vijanden, geeft psalm 30,
waar de psalmen van Vroman allemaal mee begonnen zijn, nog een ander thema te
zien dat gezichtsbepalend is voor zijn psalmen: de dood en alle vragen die
daarmee opgeroepen worden. In psalm 30:10-11 luiden die vragen tamelijk
retorisch nu het subject juist gered is van de dood: Wat wint Gij met mijn
heengaan, mijn dalen in de groeve? Kan het stof U loven, kan het uw trouw ooit
melden? In de psalmen is de dood iets afschuwwekkends, voor het vermijden
waarvan Gods hulp wordt ingeroepen. God wordt gezien als medestrijder tegen de
dood. Voor Vroman ligt dat anders. Hij ziet de dood als volstrekt natuurlijk
behorend tot de werkelijkheid; in die zin maakt de dood dus onderdeel uit van
(het) Systeem. Maar dat betekent niet dat er geen vragen overblijven. Al heeft
Vroman wel vrede met verval en dood, hij vraagt zich in Psalm III
bijvoorbeeld wel af of de mens voor en na de dood nog wel deel uitmaakt van het
grote geheel, dat hij, tot in de onopvallendste details zo intens liefheeft
(Ik geloof dat alles heilig is, is een kenmerkende uitspraak van hem). Ook
kan het steeds opnieuw ontstaan en ondergaan, elders juist met opgewektheid
geaccepteerd, hem voor bijna wanhopige vragen stellen, zoals in Psalm
XIII, waarin poëtisch maar plastisch wordt bedacht hoe maden kinderlijken
eten, terwijl op de aarde bonzen te horen is: Dat zijn de nieuwe kindervoeten
/ die alweer hetzelfde moeten / doen wat al zo vaak vergaan is. (
) Systeem!
Is dit uw stemgeluid? Leg ons dan nog eens aan ons uit. En zoals in Psalm
voor het eten, waarin even beeldend verteld wordt hoe een cheetah een gazelle
doodt en verslindt, waarna de dichter vraagt waar in Uw Harteloos Barmhartige
Heelal hij aan dat tweetal mag ontsnappen, om het gebeuren tot slot op
zichzelf en eigen eetgewoontes te betrekken:
Wellicht leef ik nog een jaar of zes
maar nooit leert mijn vlees zich aan te passen
op die doodskreet en het krassen
van mijn eigen vork en mes.
(Uit Psalm III:)
maar dat ik U met mijn verval
zodra dat komt, verminderen zal,
vertel mij hoe dat moet,
O dat ik U met mijn verval
klein maar voorgoed verminderen zal,
waarom, waarom dat moet?
(Uit Een psalm voor veel
later:)
Verschaft ons eeuwig
nietmeerzijnd
U dan nog zulk plezier?
(Uit Een psalm voor het
verleden:)
Systeem, laat mij verminderen
Tot waar Gij waarlijk bent
In al die dode kinderen
onherkend
Uiteindelijk zijn het dergelijke vragen, meer dan de plechtige aanroepingen met de vele uitroeptekens, waarin Vroman de traditie van de Psalmen voortzet. Het grote verschil is dat Vroman ondanks zijn aanspreken van Systeem daarvan geen antwoord verwacht. Hij zei zelf over Psalm XIV, waarin Systeem zonder zweem van aangezicht verdwijnt, dat hij misschien nog een heel stel psalmen zou schrijven maar dat dit de laatste regels van de hele serie zullen blijven.
[1] Gerrit Komrij, Uit verschaalde miswijn geboren in : Dit helse moeras. Amsterdam, Querido, 1983.
[2] Het is niet voor het eerst dat dat gebeurt. Enkele recente voorbeelden:
J. de Gier signaleerde in zijn artikel En wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren in Theologia Reformata 1987 (p.281-295) een drietal benaderingswijzen: verwantschap, met dichters als Gossaert, Nijhoff, Gerhardt; ontluistering, met Kopland; en afstandelijke belangstelling met Jan Kuijper.
R.D.N. van Riessen bespreekt in haar artikel In U schuil ik. Psalmen in de moderne Nederlandse poëzie in Gereformeerd Theologische Tijdschrift 1997 (p.107-117) reacties op psalm 23, twee dichters uit Nieuwe psalmen van Parmentier en de eerste serie psalmen van Leo Vroman (in Psalmen en andere gedichten).
[3] Gabriël Smit, Psalmen opnieuw. Baarn, Ambo, 1972.
[4] Lloyd Haft, Ken u in mijn klacht. Psalmbewerkingen. Amsterdam, Querido, 1998.
[5] Huub Oosterhuis, Liturgische gezangen II. Hilversum, Gooi & Sticht, 1991, de nummers 33 en 37.
[6] J. Eijkelboom, Gedragen kleding 3 in: Wat blijft komt nooit terug.Amsterdam, De Arbeiderspers, 1979.
[7] J. Eijkelboom, Hora incerta. Amsterdam, De Arbeiderspers, 1993.
[8] Anton Korteweg, Zijn stoutste dromen in : Dierbare tijden. Amsterdam, Meulenhoff, 1988.
[9] Anton Kortweg, Quis non fleret, a.w.
[10] a.w.
[11] Rob Schouten In Abrahams schoot in: Carabas ontvlucht. Amsterdam, De Arbeiderspers, 1982.
[12] A.L. Sötemann, Een
analyse in twee etappes. Over De moeder de vrouw van M. Nijhoff in:
De nieuwe taalgids. W.A.P.
Smit-nummer, 1968, p.134-145.
[13] Martinus Nijhoff, Verzamelde gedichten. Amsterdam, Bert Bakker, 1978.
[14] Rutger Kopland, Tot het ons loslaat. Amsterdam, Van Oorschot, 1997.
[15] Geert Boogaard, Niet vergeefs. Nijkerk, Callenbach, 1984.
[16] Psalm 23 als inspiratiebron is al eerder object van onderzoek geweest. R.D.N. van Riessen (a.w.) wijdt er een paragraaf aan, waarin ze de gedichten van Vasalis en Korteweg en Al die mooie beloften van Kopland betrekt. Ad Zuiderent bespreekt alle psalm-gedichten (en nog andere ook) van Rutger Kopland in Rutger Kopland: Ieder mens zou een dier moeten zijn in Anja de Feijter en Aron Kibédi Varga (red.), Dichters brengen het te weeg. Metafysische vraagstellingen in de moderne Europese poëzie. Kampen, Kok, 1994.
[17] Hij zal mij geleiden naar grazige weiden. Hij voert mij al zachtkens aan waatren der rust. Gez. 14 Liedboek van de Kerken.
[18] M. Vasalis, De vogel Phoenix. Amsterdam, Van Oorschot,
[19] Anton Korteweg, Tussen twee stilten. Amsterdam. Meulenhof, 1982.
[20] Hans Bouma, Wat overbleef. Gedichten 1961-1972. Kampen, Kok, 1973.
[21] Leo Herberghs, Psalm 23 in Nieuwe Psalmen. Speciaal nummer van Parmentier. Nijmegen, SUN, 1995.
[22] Michel van der Plas, De oevers bekennen kleur. Anthos/Lannoo 1994.
[23] Rutger Kopland, Onder het vee. Amsterdam, Van Oorschot, 1966.
[24] Rutger Kopland, Dit uitzicht. Amsterdam, Van Oorschot, 1982.
[25] Terecht wijst zij erop dat de herder ontbreekt, het is de ik zelf die de weiden en wateren heeft gezocht en gevonden.
[26] Zuiderent stelt: Het is een wereld die de dichter uiteindelijk vreemd blijft: hij begrijpt hem niet, hij heeft geen antwoord op de vragen die in en door die wereld gesteld worden; hij staat er buiten. Het lijkt mij echter dat de dichter zich wel aangesproken voelt door de vragen, al heeft hij er geen antwoord op. Helemaal erbuiten staat hij dus niet.
[27] De kenschetsing door J. de Gier (zie noot 2) van Koplands werk als ridiculisering, agressie soms van de bijbelse boodschap lijkt mij in elk geval niet op zijn plaats, al kan er wel sprake zijn van afwijzing.
[28] Rutger Kopland, Voor het verdwijnt en erna. Amsterdam, Van Oorschot, 1985.
[29] Anton Korteweg, Liefst niet in: Voor de goede orde. Amsterdam, Meulenhoff, 1988. Dat hij in de slotzin, opnieuw verwijzend naar Exodus, die wens weer op losse schroeven zet met de zin Als ik maar niet verlangen hoef naar wat je me verlaten liet., is nu minder belangrijk.
[30] J. Eijkelboom, Lege stad in: Kippevleugels. Amsterdam, De Arbeiderspers, 1991.
[31] Hanny Michaëlis, Verzamelde gedichten. Amsterdam, Van Oorschot, 1996, p. 81.
[32] J.W. Schulte Nordholt, De Allerheiligste troont in: Verzamelde gedichten. Baarn, de Prom, 1996 (2e aangevulde druk).
[33] Ik ben er niet in geslaagd te achterhalen wie de auteur is van dit gedicht, dat slechts in fotokopie in mijn bezit is.
[34] Ida Gerhardt, Verzamelde gedichten. Amsterdam, Atheneum-Polak & Van Gennep, 1985.
[35] Marjoleine de Vos, Zeehond graag. Amsterdam, Van Oorschot, 2000.
[36] A.w. p.34, ouder dan de Psalm van p.121.
[37] J.B. Charles, De groene zee is mijn vriendin. Gedichten 1944-1982. Amsterdam, De Bezige Bij, 1987.
[38] Hans Andreus, Verzamelde gedichten. Amsterdam, Bert Bakker, 1983.
[39] Gerard Reve, Verzamelde gedichten. Amsterdam, Van Oorschot, 1987.
[40] Huub Oosterhuis, Systeem of vriend in: Rood koper 1997 nr.2, waarin Vromans dankwoord bij de uitreiking van de VSB-poëzieprijs wordt aangehaald.
[41] Leo Vroman, Details. Amsterdam, Querido, 2000.
[42] Leo Vroman, Psalmen en andere gedichten. Amsterdam, Querido, 1995.
[43] Hans Andreus, Steeds a.w. p.952.
[44] Leo Vroman, De roomborst van Klaas Vaak. Amsterdam, Querido, 1998.