Nóg een dagboek

Over Mirjam Bolle’s dagboekbrieven uit Amsterdam, Westerbork en Bergen-Belsen

 

Bettine Siertsema

 

In het laatste kwart van de vorige eeuw kwam er in Nederland een vloed aan concentratiekampliteratuur op de markt: dagboeken – vaak een herdruk van eerdere uitgaven – , memoires en autobiografische fictie, en verhalen en romans van de tweede generatie, de kinderen van overlevenden. Nu is die hausse ruimschoots voorbij, maar onlangs verschenen toch nog, naijlend, de dagboekbrieven van Mirjam Bolle. Mirjam Levie, geboren in 1917, schreef de brieven aan haar verloofde Leo Bolle, die voor de oorlog als pionier naar Palestina was vertrokken. Meer dan de helft van het boek bestaat uit brieven uit Amsterdam (en valt zo buiten het corpus van mijn promotie-onderzoek onder leiding van Dick van Halsema naar religieuze en morele dimensies in Nederlandse ego-documenten over de nazi-concentratiekampen). Dit deel is een interessante bron voor historici, omdat het een beeld van binnenuit geeft van het zo omstreden werk van de Joodse Raad. Mirjam Levie werkte namelijk sinds 1938 als secretaresse voor het Comité voor Joodse Vluchtelingen onder voorzitterschap van David Cohen, dat in maart 1941 tot onderdeel van de Joodse Raad werd gemaakt. In mei 1943 wordt de regeling opgeheven dat leden en medewerkers van de Joodse Raad vrijgesteld zijn van deportatie. Er moesten 7000 mensen aangewezen worden voor transport.

‘Toen (…) ik alleen in huis achterbleef, heb ik verschrikkelijk gehuild, omdat ik wist dat het mis met ons zou gaan en omdat ik het zo ontzettend vond dat de JR zich weer voor dit beulswerk liet gebruiken, i.p.v. te zeggen: het is nu toch afgelopen, stik maar verder. In dit verband even de volgende wrange, maar zeer karakteristieke “mop”. Asscher & Cohen worden bij de moffen geroepen en krijgen de mededeling dat de joden vergast zullen worden[1], waarop de eerste vraag van de prof  (Cohen, bs) is: “Wordt het gas door u geleverd of moeten wij dit doen?” Zo was de toestand.

Van elf tot twee geslapen, weer naar kantoor. Toen moest ik alle privégevallen van de hoge heren van de (voorlopige) oproeplijst schrappen. Mooi hè? Ik kreeg gewoon een lijst van de vriendjes en moest onderzoeken of die opgeroepen zouden worden en zo ja, dan moesten ze geschrapt. Ik huilde bijna van woede en ergernis, maar ik kon er niets tegen doen.’ (p.123)

In de voorafgaande periode wordt de lezer getroffen door de hoogspanning waaronder de joden in Amsterdam leefden. Mirjam zelf en dankzij haar baan ook haar familie, waren voorlopig vrijgesteld, maar elk moment kon er aangebeld worden door de politie, en dan was het maar hopen dat die zich zou laten overtuigen door de officiële formulieren, en dat er en passant geen waardevolle spullen zouden worden meegeratst. En er kwam er nog opvallend vaak zo’n politie-inval, die ook bij een goede afloop altijd zenuwslopend was.

Begin juli 1943 komt de onvermijdelijke oproep en vertrekt ze naar Westerbork. Een half jaar later wordt ze naar Bergen-Belsen gedeporteerd, waar ze meteen plaatsvervangend barakleidster van haar woonbarak wordt. Na weer een half jaar, begin juli 1944 blijkt ze te behoren tot het enige Austauschtransport dat Bergen-Belsen verlaten heeft, en reist ze per trein naar Palestina. De ergste tijd in Bergen-Belsen, toen de toestroom van gevangenen uit andere kampen voor organisatorische chaos zorgde en door het gebrek aan hygiëne en het voedseltekort de sterftecijfers omhoog schoten  (Anne Frank was daar een van de slachtoffers van), heeft zij dus niet meer meegemaakt.

 

Karakter van het dagboek

Doordat haar verloofde in Palestina woonde, was hij na 1940 niet meer per post bereikbaar. Mirjam liet haar brieven in een pakhuis verstoppen; ze schreef ze vooral om hem later een gedetailleerd beeld te kunnen geven van haar leven onder de bezetting. De term ‘dagboekbrieven’ uit de ondertitel is dan ook zeer adequaat: de geadresseerde is duidelijk aanwezig in aanspreekvormen, toezeggingen en fantasietjes over de hereniging en een gezamenlijke toekomst (herinneringen aan het gezamenlijke verleden zijn schaars), maar de inhoud is die van een dagboek. Het accent ligt daarbij op de externe functie: de uiterlijke gebeurtenissen en feitelijke gegevens nemen de belangrijkste plaats in, al ontbreken intieme bespiegelingen en persoonlijke reacties niet geheel. In het kamp wordt de externe functie nog belangrijker, als ze zich realiseert dat haar dagboek later misschien gevonden wordt en ‘als bron van belang zal kunnen zijn. Daarom heb ik ook de onbelangrijke dingen verteld omdat die misschien voor een buitenstaander het beeld duidelijker kunnen maken.’ (209) Door soms over ‘je’, in de betekenis van ‘men’ te spreken waar het over haarzelf gaat, verbreedt ze haar ervaringen en reacties van het individuele naar het algemeen menselijke (‘als je eraan dacht, met welk een zorg deze (zwangere, bs) vrouwen toch behandeld moeten worden, en je zag nu hoe er over ze heen gelopen werd en geschokt en heen en weer geslingerd en wat voor indrukken deze vrouwen moesten opdoen, dan besefte je pas, hoe diep we gezonken zijn.’ 144)

Woorden schieten de schrijfster vaak tekort om duidelijk te maken hoe erg of hoe spannend het was: al in Amsterdam zijn er veelvuldige verklaringen dat iets niet te beschrijven of niet te vertellen is (in een bestek van 15 bladzijden, 31 januari tot 2 februari 1943, komt acht maal zo’n nadrukkelijke uitspraak voor). Ook in het kamp zegt ze regelmatig niet in staat te zijn de sfeer en de omstandigheden te beschrijven zoals die zijn, waarbij ze soms de hoop uitspreekt het later mondeling beter te kunnen. Hoewel ze uitvoerig is in haar beschrijvingen en ook veelal scenisch vertelt, geeft ze het gesproken woord vrijwel steeds in de indirecte rede weer, waardoor de lezer nog sterker de indruk krijgt vanuit haar perspectief mee te kijken. Uit de schaarse beeldspraak die ze bezigt, blijkt dat ze met name in Bergen-Belsen soms zelf ook moeite heeft de werkelijkheid als werkelijk te ervaren. Ze vergelijkt ‘alles’ daar met ‘een film waar je al buitenstaander met ontzetting naar kijkt’ (243).

           

Levensbeschouwing

Mirjam Bolle hoort tot de groep religieuze zionisten. Ze bereidde zich daadwerkelijk voor op emigratie naar Palestina en verwachtte vlak voor de oorlog uitbrak ook ieder moment haar ‘certificaat’, het visum en de verblijfsvergunning voor Palestina. Ze houdt zich zoveel mogelijk, maar binnen redelijke grenzen, aan de regels van het religieuze jodendom: als de mogelijkheid zich voordoet verkiest ze in het kamp koosjer voedsel, ze houdt de sabbatsrust en verontschuldigt zich uitvoerig tegenover haar verloofde als ze die met het schrijven van een brief breekt. Uitvoerig beschrijft ze de viering van de vrijdagavond, het begin van de sabbat, in het kamp, de viering van de seideravond en het Poerimfeest voor de kinderen. De enkele keer dat ze God noemt, doet ze dat in de tekst met ‘G.’, overeenkomstig de joodse gewoonte Gods naam niet uit te spreken.

Bij de seideravond in Bergen-Belsen vervult ze een soort voorgangersrol, en ze beschrijft hoe ze de geschiedenis van de uittocht uit Egypte vertelt, en ‘dat we de seider moeten vieren alsof we het zelf hadden meegemaakt, wat ons vroeger moeilijk viel, maar op het ogenblik helemaal niet, omdat we werkelijk de slavernij beleven. (…) Maar dat we na deze slavernij dus ook de bevrijding zullen beleven.’ (232) Hoe concreet ze zich dat beleven van de bevrijding voorstelt, is niet helemaal duidelijk. Enerzijds verwacht ze elk moment het einde van de oorlog door de inspanningen van de Geallieerden, anderzijds kijkt ze met een zeker fatalisme naar de toekomst: ‘Ik weet dat wat er gebeuren moet, ook gebeuren zal, ondanks mijn hoop dat ik er levend uit zal komen. Maar als ik eraan denk dat we misschien verloren zijn en wat ik dan voor leven heb… zonder enige zin, dan ben ik zo ellendig.’ (233) De mogelijkheid dat God te haren behoeve zal ingrijpen, waar blijkens hun memoires christelijke auteurs vaak op hoopten, komt nauwelijks bij haar op. In Westerbork schrijft ze: ‘Misschien gebeurt er een wonder, ofschoon ik nooit geloof dat de oorlog, nu voor ons speciaal het gevaar is gekomen, hiervoor zal ophouden. De geschiedenis voltrekt zich, zonder met ons, met mij en met jou, rekening te houden.’ (178)

 

Beeld van zichzelf en anderen 

Mirjam Bolle tekent zichzelf als een nuchtere, praktisch ingestelde vrouw, die niet gauw bij de pakken neerzit. Wel schrijft ze ook over buien van neerslachtigheid, ze vindt zich dan ‘ontzettend vervelend’ en neemt zich voor in die stemming niet meer aan Leo te schrijven (224). Door haar relaties en door haar energie en vindingrijkheid weet ze de mensen uit haar naaste omgeving lange tijd te beschermen en later in het kamp hun het leven zo dragelijk mogelijk te maken. Het is met name om haar ouders te beschermen dat ze het werk bij de Joodse Raad, dat haar tegen de borst stuit, niet veel eerder opgeeft (125). Ze realiseert zich dat ze jong en sterk is en daardoor allerlei ongemak veel gemakkelijker het hoofd kan bieden dan oude of zieken mensen (in de eerste brief uit Westerbork maakt ze drie keer een opmerking in die trant!). Het is duidelijk dat ze niet bang is verantwoordelijkheid op zich te nemen, eerst in Amsterdam voor haar familie – ze doet bijvoorbeeld altijd het woord tegenover de politie – en in Bergen-Belsen als plaatsvervangend barakleidster. Haar hoop de oorlog te overleven blijkt niet onrealistisch: ze had werkelijk goede papieren voor de uitwisseling naar Palestina (in ruil voor Duitse gevangenen in de geallieerde landen), betere kennelijk dan bijvoorbeeld Abel Herzberg, die toch voorzitter van de Nederlandse Zionistenbond was geweest, maar om onduidelijke redenen van de lijst voor het Austauschtransport geschrapt werd (waarna hij zijn dagboek, Tweestromenland, begon).

            Het beeld dat Mirjam Bolle van haar medegevangenen geeft, is wisselend. Zo vertelt ze in Westerbork hoe de mensen zich na een transport  op de achtergebleven spullen werpen om te pikken wat er van hun gading is, maar in dezelfde alinea ook dat iedereen helpt met pakken en een heleboel mensen van hun eigen spullen geven als er iets te kort is. In dezelfde passage noemt ze de houding van de gemengd gehuwden (die van transport vrijgesteld werden als ze zich lieten steriliseren) ‘eenvoudig om te kotsen’, en roemt ze de flinkheid waarmee de mensen over het algemeen weggaan: ‘om je pet af te nemen’ (154). Haar ergernis over minderwaardig gedrag van medegevangenen wordt versterkt door het besef dat het joden zijn, die volgens haar beter zouden moeten weten. In Westerbork betreft het de medewerking aan de deportaties: ‘De ene jood stuurt de andere op transport. Het is ver met ons gekomen.’ (152); in Bergen-Belsen het asociale gedrag jegens elkaar: ‘Hiervan (namelijk voedsel dat voor kleine kinderen is bestemd, bs) gappen de Grieken gewoon. Dat zijn de jóden. Ik heb er geen woorden voor.’ (208). Ze slaat de ‘Palestinamensen’ hoger aan, en vindt het ‘een van de ergste dingen van het hier zijn’ dat die niet bij elkaar zitten, maar verspreid over het kamp (207). Over haar barakgenoten is ze vooral op het punt van joods bewustzijn kritisch, maar tegen haar verwachting in is de seider-viering in de overvolle barak een positieve ervaring: ‘(…) ik had geen greintje fiducie in de hele boel gezien het publiek dat we hier in de barak hebben. Maar het is geslaagd! Boven iedere verwachting!’ (231). Haar ‘eindoordeel’, twee weken voor haar bevrijding opgeschreven, blijft gemengd, maar het positieve lijkt toch te overwegen:

‘En je leert hier mensen kennen zoals ze werkelijk zijn, mensen die in Amsterdam dames en heren waren, zijn hier soms hyena’s, gappen en bedriegen, maar degenen met innerlijke beschaving blijven zoals ze waren en presteren het zelfs zich om anderen te bekommeren.’ (243)

Aan de SS en de grijze laag[2] besteedt ze nauwelijks aandacht. Voor de niet direct betrokken omstanders [3] daarentegen heeft ze uitgesproken positieve, en in Amsterdam ook uitvoerige, woorden over. Ze heeft veel waardering voor de houding van het Nederlandse volk bij het caféverbod voor joden en hun ontslag uit overheidsdienst, de houding van de universiteiten (‘waar in andere landen het anti-semitisme op de universiteiten begonnen is, [hebben] hier de universiteiten het voorbeeld van pro-semitisme gegeven.’ 26) en die van de boeren in de omgeving van de werkkampen voor joden. Hoewel ze vreest dat de Februaristaking doelloos is, vindt ze die toch ‘eenvoudig prachtig en een bewijs van cultuur, zoals geen volk dit gegeven heeft.’ (25) De woordkeus is opmerkelijk: kennelijk ziet zij het opkomen voor zwakken en verdrukten, in dit geval de joden, als een vorm van beschaving. Over de Nederlandse politie, die meermalen aan de deur kwam om huisgenoten te halen, is ze vrij mild. De marechaussee die in Westerbork bewakingstaken verricht, noemt ze prima, en ze constateert dat die er de smoor in heeft onder de Duitsers te moeten werken. Alleen de Duitse Rode Kruiszusters die de gevangenen op hun reis naar Palestina begeleiden beoordeelt ze negatief, omdat die er de pest in hebben dat ‘dat ze ons dit goede leven moeten bieden’ (251). Misschien is enig chauvinisme aan haar oordeel over de omstanders niet vreemd.

 

Dwarsverbanden met andere dagboeken

Mirjam Bolle hoorde tot een groep gevangenen waar Abel Herzberg en Philip Mechanicus in hun dagboek zeer positief tegenaan kijken. De Palestina-pioniers vertegenwoordigen voor hen ongeveer het ideaalbeeld van de jood, en zijn de enige groep die zich in de barre kampomstandigheden fysiek en moreel staande houden:

‘De jonge generatie vertoont duidelijke tekenen van regeneratie: wat de oude en ouderwetse generatie een keer per jaar met de mond, traditioneel belijdt, het verlangen naar de komst van de Messias, die de Joden terug leidt naar Palestina, leeft in haar iedere dag, iedere ademtocht. Zij is het oude geloof trouw gebleven, maar streeft naar een synthese tussen de Talmoedische wetten en voorschriften, en de dwingende eisen van het moderne leven. (…) zij zijn geestelijk ontwikkeld, al is het vaak nog naar een kant, hebben een sterker fefundeerd moreel besef, zijn maatschappelijk beter op de hoogte, zijn sportief, lichamelijk ontwikkeld.’ (In Dépôt, 17)

‘De chaloetsiem vormen de enige groep in een joods kamp, die op een zeker niveau leeft, gemeenschap kent en collectiviteit bezit. De enige groep met een wil, een program, een verantwoordelijkheid. De enige die joods en menselijk iets waard is.’ (Tweestromenland, 153)

Voor zover in de tekst na te gaan, voldoet Mirjam Bolle aan dit beeld van de groep als geheel: ze heeft een sterk ontwikkeld moreel besef, zonder daar nu voortdurend kond van te doen, ze beklaagt zichzelf en haar lot zelden, is sterk op de toekomst gericht, niet bang verantwoordelijkheid voor anderen op zich te nemen, en ze kijkt met een praktische blik naar de omstandigheden om er het beste van te kunnen maken.

            De visie van Abel Herzberg op de werkelijkheid en de mensen om hem heen was in hoge mate ethisch bepaald. Hij zag velen die in het vooroorlogse leven tot de maatschappelijke elite hoorden moreel door de mand vallen, maar legde de nadruk op die enkelingen die ánders waren, die zorg droegen voor een ander, die hun voedsel deelden, die zich niet verlaagden tot graaien en ellebogenwerk. Hij zag hen ‘als hoog oprijzende tussen de bruin-grauwige troep van de massa, al waren ze in de regel de teruggetrokkenen, de niet-opvallenden, en behoorden ze tot de eenvoudige werkers en sjouwers.’ (Tweestromenland 15). Mirjam Bolle’s perspectief is over het algemeen minder duidelijk ethisch gekleurd dan dat van Herzberg, maar haar ‘eindoordeel’ over haar medegevangenen vertoont opvallende overeenkomst met zijn visie (zie boven, het citaat van p.243).

Etty Hillesum oordeelt negatiever over haar medegevangenen in Westerbork. Zij verwijt hun eigenlijk dat ze zich alleen om hun fysieke overleven bekommeren, en dat ze bewust de afstomping zoeken: ‘Men hoort het dan ook dagelijks om zich heen in alle toonaarden: “We willen niet denken, we willen niet voelen, we willen zo gauw mogelijk vergeten.” En het lijkt me toe, dat dit een groot gevaar is.’ (Etty 624-625). Mirjam Bolle beschrijft precies hetzelfde, maar dan mede over zichzelf: ‘Ik had moeite om over mijn neerslachtigheid heen te komen. (…) Mijn troost is dat iedereen dit heeft. Iedereen, tenminste veel van mijn kennissen, zegt: “Ik wil niet denken, ik laat me maar leven.”’ (169)

            Hoewel religie een belangrijke dimensie van haar leven is, gezien de moeite die zij zich getroost de godsdienstige gebruiken in praktijk te blijven brengen, reflecteert Mirjam Bolle, anders dan Herzberg en Hillesum niet over de inhoud van haar godsgeloof. Het is een manier van geloven, die christenen maar moeilijk kunnen begrijpen, getuige de verwondering – of is het zelfs irritatie? – waarmee de hervormde predikanten Lieve en Ter Steege in hun memoires, geschreven in de ik-vorm, over hun verblijf in kamp Amersfoort schrijven over hun pogingen tot theologische gesprekken met joodse medegevangenen: ‘Een gesprek voeren met de joden over godsdienst is een moeilijke zaak (…) Wat me vaak opvalt is het gebrek aan wat wij noemen een persoonlijk geloof.’ (Predikant achter prikkeldraad, 80)

    Naast de eerder verschenen kampdagboeken en -brieven leveren de dagboekbrieven van Mirjam Bolle geen heel andere, verrassende gegevens en inzichten op. Maar als lid van een door anderen beschreven en bewonderde groep maakt zij het beeld hoe mensen omgaan met de voortdurende doodsdreiging, de druk, de vernedering van het concentratiekamp, wel completer. 

 

 

Artikel verschenen in Nieuwsbrief voor afgestudeerden van de opleiding Nederlands van de Vrije Universiteit, nr.26 (april 2004), t.g.v. het afscheid van prof.dr. J.D.F. van Halsema

Literatuur

Bolle, Mirjam, Ik zal je beschrijven hoe een dag er hier uitziet. Dagboekbrieven uit Amsterdam, Westerbork en Bergen-Belsen. Met een inleiding van Joh. Houwink ten Cate. Amsterdam/Antwerpen 2003.

Herzberg, Abel J., Tweestromenland. Dagboek uit Bergen-Belsen. Amsterdam 1980 (4e dr.).

Hillesum, Etty, Etty. De nagelaten geschriftenvan Etty Hillesum, 1941-1943. Amsterdam 1986.

Lieve, H.L. en K.R. ter Steege, Predikant achter prikkeldraad. Nijkerk 1946.

Mechanicus, Philip, In dépôt. Dagboek uit Westerbork. Met een inleiding van dr. J. Presser. Amsterdam 1989 (4e dr.)

 

Noten

1. Zoals ook uit andere dagboeken blijkt, deden geruchten over vergassing in die tijd al wel de ronde, maar ze werden veelal niet geloofd. Etty Hillesum reageert bijvoorbeeld afstandelijk op zo’n gerucht: ‘Het is niet zo verstandig elkaar dergelijke verhaaltjes te vertellen (…)’ (Etty 512)

2. De ‘grijze laag’ is de term waarmee Primo Levi die gevangenen aanduidt die een zekere machtspositie in het kamp hebben verworven door zich door de Duitsers te laten inschakelen in bewakings- en opzichterswerk. De kampgevangenen hadden over het algemeen meer met deze grijze laag te maken dan met de SS.

3. In het beeld van de ‘anderen’ maak ik onderscheid tussen medegevangenen, grijze laag, daders en omstanders. Daarbij volg ik de indeling van Raul Hilberg in zijn boek Daders Slachtoffers Omstanders. De joodse catastrofe 1933-1945. Haarlem 1993 (vertaling van Perpetrators victims bystanders New York 1992), onder toevoeging van Primo Levi’s ‘grijze laag’.