Bert
Musschenga
Het
verdwijnen van het draagvlak voor integratie met behoud van culturele
identiteit
Door de instroom van gastarbeiders, inwoners uit
voormalige koloniën en vluchtelingen is Nederland in de afgelopen decennia
een multiculturele en multi-etnische samenleving geworden. Sommige leden van
etnisch-culturele groepen willen een eigen culturele identiteit behouden. Nu
zijn deze groepen voor de verwezenlijking van dat verlangen gedeeltelijk
afhankelijk van de overheid. Dat is onlangs weer gebleken in de discussie over
de oprichting van een islamitische school voor middelbaar onderwijs in
Rotterdam. Wanneer een overheid binnen het onderwijs geen ruimte biedt voor de
taal en de cultuur van etnisch-culturele groepen en wanneer allerlei wetten
belemmeringen vormen voor het leven in overeenstemming met de voorschriften en
gewoontes van die cultuur, dan ontberen zij belangrijke voorwaarden voor het
doorgeven en verder ontwikkelen daarvan. Zoals bekend pleitte de
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid er in 1979 voor het idee van
een tijdelijk verblijf van immigranten op te geven en naast integratie ook
behoud van culturele identiteit als doelstelling van het overheidsbeleid voor
minderheden op te nemen. Daarbij werd stilzwijgend verondersteld dat er
alleen ruimte kon zijn voor praktijken die niet in conflict waren met
fundamentele waarden en beginselen die neergelegd zijn in de Nederlandse
grondwet en andere wetten. De overheid streefde naar een vorm van integratie
van etnisch-culturele groepen waarbij hun eigen cultuur in stand kon blijven
en ging er vanuit dat dat mogelijk was. Sommige politieke groeperingen stemden
met dat beleid in omdat ze dachten dat zowel de integratie als ook de
emancipatie van etnisch-culturele groepen het beste kon geschieden wanneer ze
de mogelijkheid hadden om zich in eigen organisaties aaneen te sluiten en
daarbinnen een besef konden ontwikkelen van eigen kracht en van de waarde van
de eigen cultuur. De gedachte was dat groeperingen die zichzelf respecteerden,
zich minder snel zouden afsluiten van de omringende samenleving en actief en
zelfbewust daarin zouden gaan participeren. Voor andere politieke groeperingen
was behoud van culturele identiteit niet slechts een subdoel, maar ook een
doel op zichzelf.
In de jaren tachtig nam door de economische recessie de
werkloosheid onder leden van etnisch-culturele groepen schrikbarend toe. Ook
was het droevig gesteld met hun participatie in het maatschappelijke leven
in organisaties op het gebied van sport, cultuur, welzijn en ook in vakbonden.
Van de economische opleving in het begin van de jaren negentig hebben de leden
van etnisch-culturele groepen onvoldoende geprofiteerd. De werkloosheid is
vooral onder de eerste- en tweede-generatie Turken en Marokkanen relatief nog
steeds erg hoog. Tegen de achtergrond van die problematiek verdwijnt in het
overheidsbeleid de aandacht en de steun voor behoud van culturele identiteit.
Alle aandacht wordt gericht op enerzijds het activeren van etnisch-culturele
groepen tot participatie in de Nederlandse samenleving en anderzijds het
tegengaan van vooroordelen en discriminatie van de zijde van de dominante
groepen waardoor opname in de samenleving wordt bemoeilijkt. De overheid lijkt
te zijn terug gekeerd naar een traditionele liberale visie volgens welke
binnen ons democratisch bestel individuen en groepen vrijheid en gelijke
kansen (dienen te) hebben om te leven in overeenstemming met eigen
overtuigingen, gewoontes en praktijken, natuurlijk mits die zich verdragen met
de Nederlandse rechtsorde. Het is de eigen verantwoordelijkheid van
etnisch-culturele groepen zoals van allerlei andere groeperingen, om te werken
aan de instandhouding van de eigen cultuur (Regeringsstandpunt, 1992; Struijs,
1997, 14 e.v.).
Niet alleen is de politieke en maatschappelijke steun voor
behoud van culturele identiteit geërodeerd, daarnaast is het belang
daarvan in kringen van de sociale wetenschappen ook in twijfel getrokken door
sociaal-constructivististen. Zij maken een scherp onderscheid tussen etnische
identiteit en culturele identiteit of het cultuur eigene (Vermeulen,
1984). Ik geef hun visie hierna in eigen woorden weer. Groepen die zich in een
minderheids- of anderszins bedreigde positie bevinden, hebben de neiging om
allerlei kenmerken te zoeken waardoor zij zich als groep onderscheiden van
anderen. Die kenmerken kunnen ontleend worden aan hun gemeenschappelijke taal,
geschiedenis, tradities, grond, ras, sekse etc. Dat noemen deze sociale
wetenschappers etnische identiteit. De bouwstenen voor de constructie
van etnische identiteit kunnen maar behoeven niet aan de
oorspronkelijke cultuur ontleend worden. Dát er grenzen getrokken worden
tussen de eigen groep en andere groepen is volgens hen veel belangrijker dan
waarméé dat gebeurt. In hun benadering is het verwijzen naar het cultureel
eigene een strijdmiddel. Het zijn ook vaak bepaalde organisaties en personen
die denken uit te kunnen maken wat het cultureel eigene is. Zij meten zich
daarmee in hun contacten met de omringende samenleving een gezag aan dat niet
altijd gedragen wordt door hun eigen groepering. Ze hopen daarmee steun van
buiten te kunnen krijgen om hun particuliere opvattingen over wat de
cultuur van hun groep is te kunnen doorzetten. In werkelijkheid is de cultuur
van die groep veel pluralistischer dan deze woordvoerders suggereren. Een
verwijzing naar culturele identiteit wordt dan naast een naar buiten gericht
strijdmiddel ook een naar binnen gericht machtsmiddel. Wanneer de
oorspronkelijke cultuur van een groep verandert of grotendeels verdwijnt,
verandert ook het karakter van de strijd- en machtsmiddelen.
Het gevaar dat zelf-benoemde woordvoerders de overheid
voor het karretje van hun particuliere opvattingen willen spannen is reëel.
De overheid en anderen in de omringende samenleving zullen daarom altijd
kritisch moeten kijken naar het draagvlak van dergelijke woordvoerders. Maar
het is een vast gegeven dat er zich binnen culturele en andere tradities
altijd conflicten voordoen over de interpretatie van de traditie. Het is te
gemakkelijk om als buitenstaanders bepaalde uitingen van woordvoerders te
diskwalificeren door er op te wijzen dat er binnen hun groep ook andere
opvattingen bestaan. Handig gebruik maken van tegenstellingen en vervolgens
niets doen is ook een vorm van machtspolitiek.
Hoewel ik inzie dat een fixatie op het behoud van
culturele identiteit negatieve gevolgen kan hebben voor de sociaal-economische
ontwikkeling van etnisch-culturele groepen en voor hun participatie in de
samenleving, betreur ik het dat de culturele factor momenteel zo weinig
aandacht krijgt van beleidsmakers. Ik zou willen dat de overheid een meer
positieve en actieve houding zou aannemen tegenover het streven van
etnisch-culturele groepen naar het behoud van hun cultuur; een houding die
verder gaat dan het standpunt dat die groepen evenveel ruimte en mogelijkheden
hebben om te bewaren wat zij waardevol vinden als iedere andere groep in
Nederland.
Ik wil in deze bijdrage onderzoeken met welke argumenten
een actievere opstelling van de overheid gerechtvaardigd kan worden. Eerst
analyseer ik de argumenten die binnen het politieke liberalisme worden
aangetroffen, zoals het argument van diversiteit en het argument van gelijke
kansen. Het argument van gelijke kansen, zoals ontwikkeld door de Canadese
filosoof Will Kymlicka, heeft veel aanhangers onder de verdedigers van
multiculturalisme. Naar mijn mening gaat Kymlicka niet ver genoeg. Zijn
gerichtheid op de belangen van culturele gemeenschappen biedt te weinig
aanknopingspunten voor een verdediging van het behoud van een cultuur op de
wat langere termijn. Ik poneer dat het legitiem is onderscheid te maken tussen
de actuele belangen van een culturele gemeenschap en de intrinsieke waarde van
hun cultuur. Ik stel vervolgens de vraag of het legitiem is dat een overheid
bepaalde culturen actief beschermt omdat ze intrinsieke waarde hebben.
Cultuurdarwinisme
en blindheid voor cultureel verschil
Veel liberale politieke filosofieën zijn vanwege de hoge
waarde die wordt gehecht aan het ideaal van gelijkheid en nondiscriminatie,
blind voor verschillen in ras, cultuur, godsdienst, sekse, gender etc. Dat wil
zeggen, culturen mogen evenmin als godsdiensten bevoordeeld of benadeeld
worden. Dat geldt ook voor culturen van minderheidsgroepen zoals de bekende
etnisch-culturele groepen in Nederland. Culturen en godsdiensten zullen zich
op eigen kracht moeten handhaven in een moderne, pluralistische samenleving.
Sommige zullen daarin slagen en andere niet. De filosoof David Gauthier (1986)
zegt zelfs dat culturen beschouwd moeten worden als de wijze waarop groepen
zich aangepast hebben aan een bepaalde omgeving. Het is natuurlijk dat
een cultuur verdwijnt als die geconfronteerd wordt met een andere cultuur die
beter is aangepast aan een bepaalde omgeving. Men zou binnen die gedachtegang
kunnen zeggen dat de westerse cultuur beter is aangepast aan de eisen van een
laat-moderne samenleving dan de culturen van etnisch-culturele groepen.
Natuurlijk, men mag het verdwijnen van culturen betreuren. John Rawls de
bekendste hedendaagse politieke filosoof meent ook dat het verdwijnen van
een cultuur altijd een sociaal verlies inhoudt, maar vindt dat geen reden voor
een overheid om aan cultuurbehoud te gaan doen (1993, 197v).
Het
argument van diversiteit
Volgens de Amerikaanse rechtsfilosoof Ronald Dworkin in
zijn inmiddels klassieke artikel Can a Liberal State Support Art? (1985)
moet overheidssteun aan kunst er niet op gericht zijn om bepaalde culturele
activiteiten in stand te houden maar ...
a rich cultural structure, one that multiplies distinct possibilities or
opportunities of value also for those who live after us (1985, 229). Overheidssteun ... should look to the
diversity and innovative quality of culture as a whole rather than to (what
public officials take to be) excellence in particular occasions of that
culture (233). Het argument dat hij gebruikt is dat het beter voor mensen
is wanneer hun levenswijze diepgang en complexiteit laat zien. Volgens Dworkin
en in dezelfde geest laat zich ook Joseph Raz, rechtsfilosoof uit Oxford,
uit moet de overheid er voor zorgen dat burgers bij het vorm geven aan hun
leven, kunnen kiezen uit een voldoende en voldoende gevarieerd aanbod van
waardevolle opties (Dworkin, 1985, p. 229; Raz, 1986, hfst. 14). Die
redenering biedt mogelijk aanknopingspunten voor een verdediging van
multiculturalisme en tegen assimilatie. Geen van beiden pleit echter voor
maatregelen om specifieke waardevolle cultuurgoederen te behouden. Ze zijn
slechts geïnteresseerd in de diversiteit en de kwaliteit van het keuzeaanbod.
Zolang dat gehandhaafd blijft, is het niet erg wanneer er een of meer
cultuurgoederen van de schappen verdwijnen.
Het
argument van gelijkheid van kansen
De bekendste liberale pleitbezorger van het
multiculturalisme is ongetwijfeld de Canadese politieke filosoof Will Kymlicka.
Hij pleit voor het verlenen van culturele rechten aan die etnisch-culturele
groepen die national communities zijn (Kymlicka, 1995). Dat zijn groepen
die van oudsher al in een land wonen en die door verovering, kolonisatie of
door de merkwaardige wijze waarop in de nadagen van het kolonialisme grenzen
werden getrokken, deel zijn geworden van een staat waarin de dominante groep
een andere cultuur heeft. Het gaat ook vaak om groepen wier cultuur en
levenswijze onverbrekelijk verbonden zijn met de grond waarop zij wonen. Het
voorbeeld dat Kymlicka gebruikt is dat van de Inuit die in Noord-Canada leven.
Kymlicka vindt dat groepen als de Inuit (culturele)
minderheidsrechten moeten krijgen. Die rechten moeten het onmogelijk maken dat
hun land overgaat in vreemde handen. Hij denkt daarbij o.a. aan rechten die de
vrijheid van niet-leden aan banden leggen om zich daar te vestigen en daar te
stemmen. Die rechten leggen echter niet alleen de vrijheid van niet-leden aan
banden, ook die van leden. Zij kunnen de grond waarop zij wonen, niet
vervreemden. Als goed liberaal moet Kymlicka ter verdediging van zijn
minderheidsrechten een beroep doen op argumenten die de instemming van alle
betrokkenen kunnen verwerven. Dat doet hij door zich uiteindelijk op het
principe van gelijke kansen te beroepen een door-en-door liberaal
principe.
Kymlicka bekritiseert in Liberalism, Community and Culture (1989) het gangbare liberale
denken omdat het geen oog heeft voor het belang van de culturele gemeenschap
waarin mensen leven. Liberalen richten zich doorgaans uitsluitend op de
politieke gemeenschap, maar politieke en culturele gemeenschap behoeven niet
samen te vallen. Mensen kunnen beschouwd worden als leden van eenzelfde
culturele gemeenschap als ze bijvoorbeeld dezelfde taal, cultuur en
geschiedenis hebben. Leden van dominante culturele gemeenschappen behoeven
zich geen zorgen te maken over het voortbestaan van hun gemeenschap. Het
onderwijs wordt in hun taal gegeven. Het lesmateriaal is doordrenkt van hun
gewoonten, normen en waarden. Hun taal is ook de taal waarin overheid en
overheidsinstellingen communiceren en hun documenten schrijven. Zowel de
Engelstalige als de Franstalige groepen in Canada krijgen, zegt Kymlicka,
datgene voor niets waarvoor minderheidsgroepen moeten betalen:
namelijk het veilig stellen van hun cultural membership. Ze zijn als het
ware gehandicapt door het feit dat ze hun cultuur en culturele gemeenschap in
stand moeten houden onder de ongunstige condities die hun minderheidspositie
met zich meebrengt. Zij zijn voor die ongunstige condities evenmin
verantwoordelijk als leden van de lagere sociale klasse voor hun achterstand,
en lichamelijk gehandicapten voor hun handicap. Als het gaat om het in stand
houden van cultuur en culturele gemeenschap, bestaat er tussen de dominante
groep en etnisch-culturele groepen geen gelijkheid van kansen. Het verlenen
van culturele rechten aan die groepen is vanuit liberaal perspectief te
rechtvaardigen wanneer daardoor een grotere gelijkheid van kansen ontstaat.
Waarom is volgens Kymlicka het voortbestaan van hun
culturele gemeenschap voor een groep zo belangrijk? Een culturele gemeenschap
laat haar leden kennis maken met een spectrum van volgens haar zinvolle
manieren van leven en helpt hen bij het ontwikkelen van hun vermogen om
onderscheid te maken tussen wat wel en niet waardevol leven is. Ze zijn dan in
staat om te beoordelen of wat zij in hun leven na willen streven, werkelijk
waarde heeft. Als een culturele gemeenschap desintegreert, heeft dat negatieve
gevolgen voor de ontwikkeling van het vermogen vooral bij de jongere leden om
de waarde te bepalen van wat de wereld te bieden heeft. Wanneer een overheid
een groep culturele rechten
toekent, verschaft ze die daarmee de sociale erkenning die zo noodzakelijk is
voor het zelfrespect van haar leden. Het voortbestaan van een culturele
gemeenschap alsmede de erkenning daarvan door de overheid zijn dus vooral van
belang voor het ontwikkelen van zelfrespect en een stevige persoonlijke
identiteit bij haar leden.
Kymlicka onderstreept het belang van cultural community,
maar spreekt niet over het belang van behoud van culturele identiteit.
Veranderingen in een cultuur die plaatsvinden door externe invloeden zijn
alleen een kwaad als ze leiden tot desintegratie van de culturele gemeenschap.
Het is op zich niet erg wanneer etnisch-culturele groepen gedwongen worden
zich aan te passen aan veranderde bestaansvoorwaarden, als ze maar de tijd en
de gelegenheid hebben om hun culturele gemeenschap in stand te houden. Dat hun
cultuur na zon veranderingsproces weinig meer lijkt op de traditionele
cultuur, is voor hem geen probleem. Is het echter niet zo dat gemeenschappen
die overtuigd zijn van de waarde van hun cultuur, graag willen dat die ook
voor de generaties na hen bewaard blijft? De filosoof Charles Taylor een
landgenoot van Kymlicka beantwoordt die vraag bevestigend. Volgens hem kan
Kymlickas liberale pleidooi voor culturele rechten aan dat verlangen geen
recht doen (Taylor, 1992, 40 e.v. noot 16). Uiteindelijk gaat het Kymlicka
niet om het behoud van de cultuur, maar om het welzijn van de dragers daarvan
als leden van een culturele gemeenschap.
Cultuurbehoud
naar analogie van natuurbehoud?
Kymlickas pleidooi voor culturele rechten kan geen
recht doen aan de stelling van etnisch-culturele groepen dat hun cultuur niet
alleen waardevol is voor de huidige, en hun verlangen dat die ook voor
toekomstige generaties behouden moet blijven. Hij verzet zich alleen tegen
snelle veranderingen van een cultuur die tot desintegratie van een culturele
gemeenschap leidt. Biedt een pleidooi voor cultuurbehoud dat zijn vertrekpunt
neemt in de erkenning van de intrinsieke waarde van culturen betere
perspectieven?
Voorstanders van dat argument wijzen op parallellen tussen
natuurbehoud en cultuurbehoud. Veel burgers maken zich tegenwoordig druk om
het verdwijnen van allerlei soorten van planten en dieren. Sommigen beweren
dat de mens door zijn gedrag dat leidt tot verarming van het leefmilieu op de
langer termijn, de voorwaarden voor zijn eigen voortbestaan aantast. Anderen
betogen dat planten en dieren een intrinsieke waarde een waarde voor
zichzelf hebben. Het dreigende verlies van intrinsiek waardevolle zaken is
reden om in actie te komen. En als overheidsoptreden en dwingende wetgeving
nodig is om dat verlies tegen te gaan, dan is dat gerechtvaardigd.
Milieubeschermers beschouwen veranderingen door menselijk ingrijpen in het
leefmilieu van planten en dieren dus niet louter als wijzigingen in
leefomstandigheden die alleen die planten en dieren zullen overleven, die zich
weten aan te passen. Welnu, waarom zou het gevaar van het verdwijnen van een
zeldzame diersoort wèl een argument kunnen zijn om een overheid op te roepen
maatregelen te nemen tegen de bouw van een stuwdam of het kappen van een
regenwoud en niet het verdwijnen van de cultuur van een daarin levende groep
wier leefwijze onlosmakelijk met dat specifieke ecosysteem is verweven? Zou
het niet kunnen dat ook culturen intrinsieke waarde hebben? De parallel tussen
dieren en planten enerzijds, en culturen anderzijds is niet zo gek als die op
het eerste gezicht lijkt. In de traditie van de Romantiek was het niet
ongebruikelijk om culturen te vergelijken met organismen.
Erkenning
van de intrinsieke waarde van culturen
Het toekennen van culturele rechten aan etnisch-culturele
groepen zoals bepleit door Kymlicka, kan er toe bijdragen dat hun cultuur in
stand blijft. Maar hun minderheidspositie maakt het hen onmogelijk om hun
leden af te schermen voor invloeden die tot een langzame erosie van hun
cultuur kunnen leiden. Vaak hebben zij, teneinde hun eigen cultuur in stand te
kunnen houden, niet genoeg aan de toekenning van culturele minderheidsrechten.
Zij kunnen hun leden bij voorbeeld nooit bij wet dwingen om onderwijs in de
eigen taal te volgen, tenzij de overheid hen een bepaalde vorm van autonomie
toekent. Hun
mogelijkheden tot behoud van de eigen cultuur zijn mede afhankelijk van het
beleid en de politiek van de staat waarvan ze deel uitmaken. Erkenning van de
intrinsieke waarde van hun cultuur zou de staat een extra reden kunnen geven
om minderheidsgroepen in hun streven naar behoud daarvan actief te steunen.
Ik
zal hier niet uitgebreid ingaan op de discussie die in de filosofie wordt
gevoerd over de waardentheorie (Zie daarvoor Musschenga 1994, 1998, 1999a). De
betekenis van het begrip is vooral geijkt in de milieufilosofie. Vaak
wordt in milieufilosofische discussies intrinsieke waarde als een etiket of
stempel gezien dat je ergens opplakt of opdrukt, zoals vertrouwelijk of
persoonlijk op brieven en documenten. Als iets zon etiket of stempel
heeft gekregen betekent het dat je er niet meer mee mag doen en laten wat je
maar wilt. Entiteiten die intrinsieke waarde hebben, zijn moreel gezien
beschermwaardig. Milieufilosofen verschillen van mening over de vraag welke
kenmerken natuurlijke entiteiten moeten hebben om intrinsiek waardevol te
zijn. De meesten van hen willen alleen bij levensvormen zoals planten en
dieren van intrinsieke waarde spreken. Op de vraag naar die kenmerken wil ik
hier niet ingaan. Ik beperk me tot een andere vraag: Waarom zijn entiteiten
die intrinsieke waarde hebben, beschermwaardig. Een mogelijk antwoord op die
vraag luidt: Omdat ze in moreel relevante opzichten aan mensen gelijk zijn
en daarom ook aanspraak op respect kunnen maken. Alle entiteiten die
intrinsieke waarde hebben, maken in die visie deel uit van de morele
gemeenschap. In deze benadering vervult het begrip intrinsieke waarde de
functie die het begrip Würde in de ethiek van Kant vervult. Een ander
antwoord luidt: Omdat je niet vrij bent om dingen kapot te maken die een
bijdrage kunnen leveren aan goed en waardevol leven. Dat iets intrinsieke
waarde heeft, krijgt pas binnen de context van een normatief-ethische theorie
ook moreel belang. Het eerste antwoord verwijst naar een deontologische, het
tweede naar een teleologische theorie. Het deontologische perspectief acht ik
althans voor de natuurethiek ontoereikend. (Zie Musschenga 1999a.)
Ik maak verder onderscheid tussen de intrinsieke waarde
van iets en wat ik de constituenten van die waarde noem. Laat ik als voorbeeld
nemen een boom die in een zeer droog gebied groeit op een plek waar blijkbaar
wat water in de grond zit. Het is de enige boom van die soort in dat gebied.
Daarmee heb ik al een van de waardeconstituenten, namelijk zeldzaamheid. Het
is tevens een hele oude boom. Ouderdom is ook een waardeconstituent. Ook heeft
de boom een volle kroon. Opnieuw een waardeconstituent. Door de intrinsieke
waarde van die boom uiteen te
leggen in waardeconstituenten maak ik het voor anderen mogelijk om te bezien
of ze met mijn oordeel wel of niet kunnen instemmen.
Wat is de morele betekenis van het feit dat een
natuurlijke entiteit intrinsieke waarde heeft? Opnieuw moet ik een lang
verhaal samenvatten. De conclusie daarin is dat leven in verbondenheid met
intrinsiek waardevolle natuurlijke entiteiten een beter, rijker leven is dan
een leven waarin die verbondenheid ontbreekt. Wanneer mensen intrinsiek
waardevolle entiteiten vernietigen, tasten ze elementen van goed en waardevol
leven aan.
Nu zijn er filosofen die ook van de intrinsieke waarde van
culturen willen spreken. Volgens Ronald Dworkin denken
wij dat culturen intrinsieke waarde
hebben: That explains why we think it a shame when any distinctive
form of human culture, especially a complex and interesting one, dies or
languishes (1993, p. 72). We even try to preserve cultures we do not
especially admire, because they embody processes of human creation we consider
important and admirable (p. 75). In zijn commentaar op Charles Taylors bekende
opstel The Politics of Recognition spreekt eveneens de Amerikaanse
filosoof Steven Rockefeller over de intrinsieke waarde van culturen. Hij heeft het over the intrinsic value of the different cultural forms
in and through which individuals actualise their humanity and express their
unique personalities (1992, p. 87). In het citaat dat ik hier laat
volgen komt de parallel die Rockefeller trekt tussen de intrinsieke waarde van
natuur en van cultuur duidelijk naar voren.
It may be argued that human cultures are
themselves like life forms. They are the product of natural evolutionary
processes of organic growth. Each, in its distinct fashion, reveals the
creative energy of the universe, working through human nature in interaction
with a distinct environment, has come to a unique focus. Each has its own
place in the larger scheme of things, and each possesses intrinsic value quite
apart from whatever value its traditions may have for other cultures. This
fact is not altered by the consideration that, like living beings, cultures
may develop into disintegrated and diseased forms (p. 94).
Nu zou men verwachten dat cultureel-antropologen een
zekere sympathie hebben voor een pleidooi voor het behoud van culturen dat
stoelt op de erkenning van de intrinsieke waarde daarvan. Maar veel
hedendaagse cultureel-antropologen hebben daarvoor weinig begrip en sympathie.
In de culturele antropologie bestaat al enige decennia een controverse tussen
hen die in de woorden van de cultuurtheoreticus David Bidney (19702)
een dynamische en humanistische conceptie van cultuur aanhangen en
hen die cultuur vooral zien als sociaal erfgoed. In de eerste visie
staat de mens centraal met zijn vermogen om cultuur te maken en te veranderen;
in de tweede het overgeleverde culturele kapitaal de materiële
cultuurobjecten, de gewoontes, praktijken en sociale instituties alsmede
normen, waarden en andere overtuigingen. Volgens de dynamisch-humanistische
opvatting is het culturele kapitaal slechts de tijdgebonden symbolische
manifestatie van het culturele leven van een gemeenschap. De vitaliteit van
een culturele gemeenschap bestaat niet zo zeer uit haar vermogen om haar
culturele kapitaal in stand te houden, maar uit haar vermogen zich ook onder
veranderde omstandigheden zo te handhaven dat een bevredigend en gelukkig
leven mogelijk blijft. De dynamisch-humanisten verwijten filosofen die spreken
over de intrinsieke waarde van culturen dat ze zich oriënteren aan verouderde
holistische visies op cultuur zoals die te vinden zijn in Ruth Benedicts Patterns
of Culture (1960). Onder invloed van de Gestaltpsychologie beweerde
Benedict dat de kenmerken en domeinen van een cultuur een unieke configuratie,
een patroon vormen. Culturen zijn meer of minder consistente patronen van
denken en handelen, zoals ook het denken en handelen van een individu een
patroon vormt. Volgens latere critici beschouwde Benedict culturen te veel als
gesloten gehelen die gescheiden zijn van en te onderscheiden zijn van andere
culturen. Eén van de critici, Michael Carrithers, typeert haar visie als a
museum-like view of cultures. Hij merkt op dat much of her writings
seems to be influenced by the underlying template of a collection, a
word then applied as much to customs, beliefs, and immaterial culture, as to
the pots and masks and material culture displayed in museums (1992, p. 17).
Ik kan me de zorg van deze cultureel-antropologen goed
voorstellen. Zij vinden dat in de sociaal-erfgoed visie op cultuur de
individuele mens gereduceerd wordt tot een drager en doorgever van de cultuur
waarin hij is grootgebracht. De mens verdwijnt achter de cultuur. In de
dynamisch-humanistische visie gaat het om de ontplooiing van de mens, om diens
mogelijkheden om binnen een bepaalde omgeving te overleven en een goed leven
te verkrijgen. In de vergelijking van cultuur met een organisme is zelfs
helemaal geen plaats voor de mens. Organismen kennen alleen maar een omgeving
waarbinnen ze leven. De mens kan toch moeilijk tot de omgeving van zijn
cultuur gerekend worden. Maar ook Bidneys visie waarin het culturele
kapitaal slechts een symbolische manifestatie is van het culturele leven vind
ik gechargeerd. Is bijvoorbeeld literatuur slechts een symbolische
manifestatie van het culturele leven van een gemeenschap, in het bijzonder dat
van de schrijver? Gerard Reve is een bijzonder mens. Maar ik zou zijn boeken
niet slechts symbolische manifestaties van het culturele leven van die
bijzondere mens willen noemen. Natuurlijk kun je de ontwikkeling van iemands
schrijverschap bestuderen aan de hand van de veranderende wijze waarop hij
zich uitdrukt in, manifesteert in zijn boeken. Het is mogelijk dat een
schrijver zegt zich totaal niet meer in een jeugdwerk te kunnen herkennen.
Maar doet dat iets af aan de intrinsieke waarde van dat boek? Doet het feit
dat Van Gogh in zijn latere periode een totaal andere stijl ontwikkelde dan
toen hij De aardappeleters schilderde, iets af aan de intrinsieke waarde
van dat schilderij? Natuurlijk kun je een schrijver of een schilder nooit
identificeren met diens werk uit een bepaalde periode. Evenmin mag je een
culturele gemeenschap identificeren met haar culturele voortbrengselen uit een
bepaalde tijd. Maar de waarde van die voortbrengselen gaat niet op in de
betekenis die ze in een andere tijd voor die gemeenschap hebben, net zo min
als de waarde van een jeugdwerk opgaat in de betekenis die een schilder
daaraan in een latere periode hecht. Ik kan in de humanistische visie op
cultuur geen argumenten vinden die mij er van kunnen overtuigen dat ik niet
van de intrinsieke waarde van een
cultuur zou mogen spreken.
Ik ben echter nog niet klaar met mijn
cultureel-antropologische critici. Zij zullen er ongetwijfeld op wijzen dat
het spreken over de intrinsieke waarde van een cultuur veronderstelt dat die
cultuur een eenheid vormt. En dat is niet het geval. Culturen zijn niet te
vergelijken met organismen. Ik geef dat laatste onmiddellijk toe. Maar houdt
dat in dat een cultuur eigenlijk niet meer is dan een losse verzameling van
culturele domeinen zoals economie, kunst, religie etc.? Ook Bidney die inziet
dat culturen continu veranderen, houdt vast aan het idee van de integratie van
culturen. Een geïntegreerde cultuur is a moving
equilibrium, an ever-changing harmony, regulated in accordance with the
requirements of individual and social life (19702, p. 375). Hij
ontleent zn ideeën over een moving equilibrium aan de biologische
theorie van homeostatische systemen.
Plausibeler dan de analogie tussen cultuur en organisme is
die tussen cultuur en ecosysteem. In een ecosysteem leven verschillende soorten
planten en dieren. Het kan met recht ook een moving equilibrium, an
ever-changing harmony genoemd worden. Bij een ecosysteem kun je zowel spreken
van de intrinsieke waarde van het
systeem als geheel als van die van de onderdelen daarvan. Zo kun je ook zowel
spreken van de intrinsieke waarde van een way of life van een culturele
gemeenschap in een bepaalde periode van haar bestaan als van die van de
voortbrengselen van die gemeenschap in die periode. Stel dat men harmonie met de
natuur, vreedzaamheid en uniciteit ziet als belangrijke constituenten van
intrinsieke waarde, dan kan een weinig complexe cultuur met heel eenvoudige
producten toch een grote intrinsieke waarde hebben.
Relevantie
van de intrinsieke waarde van minderheidsculturen voor beleid
Antropocentrisch en niet-antropocentrisch denkende
milieubeschermers kunnen heel lang gezamenlijk optrekken in hun strijd om het
behoud van natuur en milieu. Bepaalde beschermingsmaatregelen kunnen met
verschillende maatregelen gerechtvaardigd worden. Antropocentristen haken echter
af wanneer het gaat om het behoud van bepaalde dier- en plantesoorten waarbij
geen enkele relatie met het belang en het welzijn van mensen nu en in de
toekomst gelegd kan worden.
De intrinsieke waarde van elementen van
bijvoorbeeld de islamitische Marokkaanse cultuur kan de meerderheid van de
Nederlandse bevolking met een andere cultuur een directe reden geven om bepaald
beleid te ondersteunen. Tijdens een discussie over deze stelling kreeg ik als
reactie dat het voortbestaan van de islamitische cultuur toch helemaal niet
bedreigd is. De islamitische cultuur die de Marokkaanse gemeenschap wil bewaren,
vind je ook in bepaalde streken van Marokko. Dat de Marokkanen in Nederland zich
druk maken over het behoud van die cultuur spreekt vanzelf. Maar waarom zouden
wij ons daarover druk maken? Inderdaad, vanuit mondiaal perspectief is
noch het voortbestaan van de islamitische cultuur in het algemeen noch dat van
de Marokkaanse variant daarvan die we in Nederland aantreffen, bedreigd. Maar
het gaat mij niet om het voortbestaan van die cultuur als zodanig, maar binnen
de Nederlandse samenleving. Wat ik beweer is dat de aanwezigheid van die cultuur
het leven van mensen met een andere cultuur kan verrijken. De confrontatie met
een geheel andere cultuur laat je niet alleen andere experimenten in leven en
samenleven zien. Ze kan je ook tot het inzicht in de beperktheid en de
betrekkelijkheid van de eigen cultuur brengen. Inzicht in de intrinsieke waarde
van een andere cultuur kan daarom een reden zijn om je voor het behoud van die
cultuur in te zetten.
Maar het is denkbaar dat bepaalde maatregelen gericht op
het behoud van een cultuur eveneens verdedigd kunnen worden met redenen die
verwijzen naar een liberaal idee van gelijkheid van kansen zoals voorgestaan
door Kymlicka. Kan ik echter ook aanwijzen waar de wegen van Kymlicka en mij
uiteen gaan? Kinderen uit een etnisch-culturele groep die behoren tot de tweede-
en derde generatie verliezen de toegang tot belangrijke literaire bronnen van
hun cultuur als ze de taal niet meer spreken waarin die geschreven zijn. Slechts
weinigen van hen zullen zich uit eigen beweging die taal gaan eigen maken.
(Hoeveel tweede-generatie kinderen van Nederlandse immigranten in Canada of
Australië spreken en lezen nog Nederlands?) Het gevolg is dat de cultuur
langzaam erodeert. Vanuit het perspectief van Kymlicka is dat geen probleem
zolang de leden van een etnisch-culturele groep hun culturele gemeenschap in
stand kunnen houden als ze dat al willen. Vanuit mijn
perspectief bezien verdwijnt
er dan iets dat intrinsiek waardevol is. In mijn benadering zou het denkbaar
zijn dat een overheid met een beroep op de intrinsieke waarde van die cultuur
een fonds in het leven roept waaruit de vertaling van de bronnen van die cultuur
gesubsidieerd wordt. Zo zouden doe bronnen toegankelijk blijven ook voor
kinderen die de taal van hun (groot)ouders niet meer spreken.
Mijn visie blijft binnen de kaders van een liberale moraal
omdat ik het af zou wijzen wanneer een overheid de leden van een
etnisch-culturele groep als het ware zou dwingen om de cultuur die zij op een
gegeven moment hebben, te bewaren. Dat zou het geval zijn wanneer ze onderwijs
in de eigen taal voor kinderen van een etnisch-culturele groep verplicht
zou stellen. Dat heeft de overheid van Quebec gedaan. Daar moeten Franstalige
ouders hun kinderen naar Franstalige scholen sturen. Gedwongen assimilatie mag
niet, maar gedwongen non-assimilatie ook niet. Als een overheid vindt dat het
belangrijk is een cultuur van een minderheidsgroep te behouden, dan kan zij dat
alleen doen door de leden van die groep in hun streven naar behoud te steunen.
Maar wat te doen met culturen waarin praktijken voorkomen die wij moreel
verwerpelijk vinden? Moeten we ter wille van al het intrinsiek waardevols dat we
in een cultuur aantreffen, het voortbestaan van die praktijken maar op de koop
toe nemen? Ik wil bepleiten dat een overheid enerzijds het streven naar behoud
van die cultuur moet ondersteunen en anderzijds de discussie moet blijven voeren
met de aanhangers van die cultuur over wat zij immorele praktijken vindt. Een
meer bevredigende positie kan ik niet bedenken.
Literatuurlijst
Benedict, Ruth, Patterns of Culture. Mentor Books, New York 1960. Eerste uitgave
1934.
Bidney, David,
Theoretical Anthropology, Schocken
Books, New York 19702 .
Carrithers, Michael, Why Humans Have Cultures, Oxford University Press, Oxford 1992.
Dworkin, Ronald, Can a Liberal State Support
Art?. In: A Matter of Principle,
Harvard University Press, Cambridge, Mass/London 1985, 221-233.
Dworkin, Ronald, Lifes Dominion. HarperCollins, London 1993.
Gauthier, David,
Morals by Agreement. Oxford University
Press, Oxford etc. 1986.
Kymlicka, Will, Liberalism, Community, and Culture, Clarendon Press, Oxford 1989.
Kymlicka, Will, Multicultural Citizenship, Clarendon Press, Oxford 1995.
Ministerie
van Binnenlandse Zaken, Regeringsstandpunt
ten aanzien van Rapport no. 36 van de Wetenschappelijke Raad voor het
Regeringsbeleid Allochtonenbeleid, Tweede Kamer, vergaderjaar
1989-1990, 21 472, nr. 2. 1989.
Musschenga,
A.W., Antropocentrisme en de intrinsieke waarde van de niet-menselijke natuur, Filosofie
en Praktijk, 15(1994), 113-129.
Musschenga, Albert W., Intrinsic Value as a
Reason for the Preservation of Minority Cultures, Ethical Theory and Moral Practice, 1(1998), 201-225.
Musschenga, Albert W., Intrinsic Value and
Intrinsic Valuing. In: Marcel Dol a.o. (eds.), Recognizing the Intrinsic Value of Animals, Van Gorcum, Assen 1999a,
97-123= Animals in Philosophy and the Sciences, Vol. II.
Musschenga, Albert W., Liberal Morality and the
Extinction of Cultures. In: Govert den Hartogh (ed.), The Good Life as a Public Good, Kluwer, Dordrecht 1999b (in press).
Rawls, John, Political Liberalism, Columbia University Press, New York 1993.
Raz, Joseph, The Morality of Freedom, Clarendon Press, Oxford 1986.
Rockefeller, Steven C., Comment. In:
Charles
Taylor e.a., Multiculturalism andThe
Politics of Recognition, Princeton University Press, Princeton, NJ. 1992,
87-99.
Struijs, Alies, Minderhedenbeleid
en moraal,
Van Gorcum, Assen 1997.
Taylor, Charles, Multiculturalism and
The Politics of Recognition, Princeton University Press, Princeton,
NJ. 1992, 25-75.
Vermeulen,
Hans, Etnische groepen en grenzen, Wereldvenster,
Weesp 1984.
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Etnische
Minderheden, Staatsuitgeverij, Den Haag 1979.
Voor commentaar: aw.musschenga@mdw.vu.nl