Integriteit

 

Bert Musschenga

 

 

Verschillende begrippen van integriteit

Integriteit is een populair begrip in ons hedendaagse vocabulaire van evaluatieve begrippen. We gebruiken het om een oordeel over het karakter en het gedrag van individuen en collectieven uit te drukken. Het begrip is afgeleid van het Latijnse ‘integritas’ dat heelheid, intact zijn, eerlijkheid, maar ook fatsoen en kuisheid betekent. De laatste betekenis is bij ons in onbruik geraakt, maar de betekenis ‘intact zijn’ is nog present in het begrip ‘lichamelijke integriteit’, in dat van ‘de integriteit van het dier/het leefmilieu/ ecosysteem’ en duikt ook weer op in ‘integriteit van datasystemen’. Over de laatste twee begrippen zal ik het verder niet hebben.

Aan de hand van een paar voorbeelden wil ik een eerste verkenning maken van de betekenis van het begrip in ons alledaagse spraakgebruik. Ik beperk me tot de integriteit van personen; over de integriteit van collectieven kom ik later te spreken. Als iemand mij vraagt wat mij in mijn vrouw aantrekt en wat ik in haar waardeer, zal ik niet zo snel zeggen dat het haar integriteit is. Je trouwt niet met iemand omdat die integer is. Maar stemmen doe ik wel op iemand die integer is. En mijn financiën laat ik ook beheren door een integer persoon. De mensen die we op hun integriteit beoordelen en om hun integriteit prijzen, bekleden vaak belangrijke ambten en posities. Een politicus die enige tijd geleden overleed, werd herdacht als een integer mens hoewel hij als politicus niet erg succesvol geweest was – volgens sommige commentatoren juist vanwege zijn integriteit. De hoogleraar in de rechtsgeleerdheid die onlangs werd benoemd tot nationale ombudsman werd om zijn integriteit geprezen – een eigenschap waardoor hij volgens commentatoren heel geschikt was voor die positie.

Opvallend is dat we heel vaak mensen om hun integriteit prijzen wier overtuigingen we niet delen en soms zelfs afkeuren. In de voorverkiezingen voor het Amerikaanse presidentschap zag het er een tijdlang naar uit dat John McCain wel eens de Republikeinse presidentskandi­daat zou kunnen worden in plaats van George Bush Jr. De mensen die op McCain stemden, deden dat niet primair omdat ze gecharmeerd waren van z’n conservatieve ideeën. In hun ogen was hij een integere persoon die alles belichaamde wat een draaikont en leugenaar als Bill Clinton niet was. In ons land hebben als toonbeeld van integriteit Gert Schutte, in veler ogen het geweten van de Nederlandse politiek. Gert Schutte is niet bepaald een voorstander van vrouwemancipatie en tegen vrij baan voor homoseksuele gedragingen. Met die opvattingen strijkt hij velen tegen de haren in, maar dat verhindert hen niet hem om zijn integriteit te prijzen. Iemand integer noemen impliceert dus niet zijn overtuigingen en gedrag tout court goedkeuren.

            Wat mensen die we integer noemen wel gemeen hebben is dat ze doen wat ze zeggen en zeggen wat ze doen. Wat ingewikkelder geformuleerd: ze houden zich aan wat ze toegezegd en beloofd hebben, ze handelen in overeenstemming met de principes die ze zeggen te onderschrijven, ze zijn loyaal aan de verplichtingen die ze op zich hebben genomen en houden er geen dubbele agenda op na. In meer technische termen: er is sprake van consistentie1 tussen wat ze zeggen, belijden en beloven, en wat ze daadwerkelijk doen. En dat niet alleen in normale, maar ook in moeilijke omstandigheden. Moeilijk in de zin dat er druk op hen wordt uitgeoefend om van hun principes af te wijken, hun toezeggingen niet na te komen en niet loyaal te zijn aan de organisatie of hun klanten. Of doordat iemand hen geld of andere voordelen belooft wanneer ze in diens voordeel misbruik maken van de macht, de privileges en mogelijkheden die hun positie hen biedt. Consistentie tussen zeggen en doen noem ik ‘externe consistentie’.

            Een gemeente die mijn buurman wel een vergunning geeft om een dakkapel te bouwen en mij niet terwijl we in een identiek huis wonen, handelt niet consistent. Niet alleen gedrag, ook oordelen kunnen inconsistent zijn. Wie de komst van een woonwagenkamp in zijn buurt afkeurt, maar niets van zich laat horen als het kamp in tweede instantie in een andere buurt gepland wordt, oordeelt inconsistent. Consistentie tussen oordelen en ook tussen gedragingen op verschillende momenten, noem ik ‘interne consistentie’.

            Externe en interne consistentie zijn twee belangrijk aspecten van integriteit. De constatering van interne of externe inconsistentie hoeft als zodanig niet altijd te leiden tot het in twijfel trekken van iemands integriteit. Om alvast een voorschot te nemen op wat ik verderop zal uitwerken: Het is bekend dat Martin Luther King het met de huwelijkse trouw niet nauw nam. Waarom zien velen in de inconsistentie tussen zeggen en doen onvoldoende reden om zijn integriteit in twijfel te trekken? Bill Clinton had een affaire met de stagiaire Monica Lewinski en loog daarover. Zijn integriteit werd door velen wèl ter discussie gesteld. Het achterliggende geschilpunt is of integriteit impliceert dat er consistentie moet zijn tussen iemands overtuigingen, oordelen en gedragingen in al z’n rollen en op alle domeinen van zijn leven of alleen tussen diens oordelen en gedragingen in een specifieke rol of context. Met andere woorden: is integriteit een lokaal of een globaal concept? Kun je een politicus pas integer noemen als hij in alle contexten en in al zijn rollen – dus ook in die van echtgenoot – consistent is in overtuigingen, oordelen en gedrag, of moet hij dat alleen in zijn optreden als politicus zijn?

            Consistentie is niet het enige wat er toe doet als we het over integriteit hebben. Hoewel we bij onze oordelen over integriteit vaak abstraheren van de inhoud van iemands overtuigingen en gedragingen, doen we dat niet altijd. Naast het onderscheid tussen integriteit als lokaal en als globaal concept moet ik daarom een tweede onderscheiding introduceren: tussen integriteit als formeel en als materieel concept. Stel iemand vertelt aan zijn predikant dat hij vreemd gegaan is en het zijn vrouw niet durft te vertellen omdat hij bang is dat zij dan wil scheiden. Een paar dagen daarna ontdekt hij dat iedereen het weet. Hij spreekt de predikant daarop aan. Deze zegt hem dat hij het probleem niet ziet. Broeders en zusters moeten dat van elkaar weten om het vervolgens te kunnen vergeven. Ook al is die predikant consistent in zijn doorvertellen, toch zullen we hem niet integer noemen. In onze optiek is vertrouwelijkheid in de rol van predikant ingebakken. In dit geval nemen we bij ons oordeel over iemands integriteit ons vertrekpunt niet in diens eigen overtuigingen en principes, maar in de overtuigingen en principes die in onze samenleving als constitutief voor de sociale praktijk van het predikantschap worden beschouwd. Ook die stelling moet ik weer kwalificeren. Er zijn ook gevallen waarin we mensen om hun integriteit prijzen die met hun principes en gedrag dwars tegen bepaalde sociale verwachtingen ingaan, en bereid zijn de consequenties daarvan te dragen – gevangenisstraf of zelfs de dood.

            Wanneer we de twee paren van onderscheidingen – lokaal versus globaal en formeel versus materieel – samen nemen, dan krijgen we – althans in theorie – vier verschillende begrippen van integriteit. In de onderstaande matrix wordt dat zichtbaar gemaakt:

 

 

 

 

persoonlijke integriteit

 

 

(kritische) rol integriteit:

            professionele integriteit

            burgerlijke integriteit

            politieke integriteit

            ambtelijke integriteit

                       

                        etc.

 

(kritische) morele integriteit

 

 

formeel          

 

 

 

 

 

 

 

materieel

 

 

lokaal                                                  globaal

 

 

De eerste cel van de matrix is leeg. Het lokaal-formele concept van integriteit komt in onze alledaagse taal niet voor. Het meest komt het lokaal-materiële concept voor. Dat is ook niet verwonderlijk. Mensen in moderne, gedifferentieerde samenlevingen zijn afhankelijk van allerlei vaak anonieme beambten, functionarissen, experts, producenten en verkopers om de goederen en diensten te verkrijgen die ze nodig hebben. Ze hebben er daarom belang bij dat personen in die rollen betrouwbaar zijn, zeker wanneer de relaties asymmetrisch zijn. Het globaal-formele concept van persoonlijke integriteit is misschien in bepaalde wetenschappelijke – vooral psychologische – literatuur populairder dan in de omgangstaal. Het meest klassiek is het begrip van morele integriteit.

 

Deugden van integriteit

De ratio achter al het spreken over integriteit is het belang dat we hebben bij de betrouwbaarheid van mensen, in het algemeen of in specifieke rollen. Consistentie en betrouwbaarheid zijn nauw met elkaar verbonden. De twee aspecten van integriteit die we eerder beschreven – interne en externe consistentie – verwijzen naar de aanwezigheid van bepaalde disposities of deugden die aan iemands betrouwbaarheid bijdragen. Die deugden samen constitueren iemands integriteit. Ik onderscheid formele deugden, deugden van ‘unified agency’, volitionele deugden en materiële deugden. Formele deugden zijn bijvoorbeeld eerlijkheid, openheid, oprechtheid, loyaliteit en toewijding. Ze verwijzen naar de kwaliteit van iemands communicatie over zijn overtuigingen en gedragingen en naar de kwaliteit van iemands binding aan een rol. Deugden van ‘unified agency’ zijn harmonie, constantheid, eenheid en continuïteit. Zij verwijzing naar de orde en stabiliteit in iemands systeem van verlangens en preferenties. Volitionele deugden zijn zelfcontrole, standvastigheid en doorzettingsvermogen. Ze verwijzen naar de mate waarin iemand in staat is weerstand te bieden aan externe druk en aan verleidingen.

            Deze drie groepen deugden zijn tweede-orde deugden. Dat wil zeggen, ze vertellen ons vooral hoe een integer iemand handelt en communiceert. Materiële deugden vertellen ons wat van een integer persoon verwacht wordt. Ze verwijzen naar de waarden en principes die constitutief zijn voor een bepaalde rol of voor het morele leven als geheel. In alle gevallen waarin integriteit een materieel concept is, moeten mensen zowel over de tweede-orde deugden beschikken als over bepaalde materiële deugden. Een rechter die wel eerlijk en standvastig, maar niet onpartijdig is, kan geen integere rechter genoemd worden. Onpartijdigheid is voor een rechter en centrale morele deugd.

 

Geïntegreerde persoonlijkheid2

Mensen hebben allerlei verlangens. Maar ze hebben ook verlangens over verlangens. Met sommige van die verlangens identificeren ze zich terwijl ze andere afwijzen. Op die manier worden ze een zelf. Identificatie met een verlangen gaat verder dan dat verlangen willen hebben, het houdt in dat je wil dat dit verlangen effectief je wil bepaalt, aanzet tot actie. Identificatie is niet zo maar een keuze, het is een beslissing waardoor iemand zichzelf, z’n identiteit constitueert. Persoonlijke identiteit, zelf, is de som van iemands identificaties. Aldus de visie van Harry Frankfurt (Frankfurt 1988).

            Wat is in de visie van Frankfurt een geïntegreerd persoon? Dat is iemand die z’n verlangens zodanig hiërarchisch heeft geordend dat daartussen geen inconsistentie en conflict meer is. Er heerst harmonie en coherentie in het gebied van zijn wil. Consistentie is dus een indicator van een geïntegreerde persoonlijkheid. Consistentie is ook, zoals we gezien hebben, een belangrijk aspect van integriteit.

 

Persoonlijke integriteit

Terwijl psychologen bij persoonlijke integriteit aan geïntegreerde persoonlijkheid denken, is wijkt het beeld dat filosofen hebben daarvan af, vooral onder invloed van de beschouwingen van Bernard Williams (Williams 1973, 1981). Williams verbindt integriteit met karakter hebben en daaraan trouw zijn. Karakter hebben houdt bij hem in dat je bepaalde plannen hebt met je leven waaraan je je zo sterk hebt gecommitteerd dat het leven zonder die projecten voor je geen zin heeft. Nu hebben mensen allerlei commitments die in sterkte en belang kunnen verschillen. Sommige plannen en voornemens zijn, aldus John Kekes ‘identity-conferring’ (Kekes 1983). Het zijn plannen en voornemens waarin je enerzijds je hele wezen hebt geïnvesteerd, en die anderzijds op hun beurt invulling geven aan je identiteit. Je kunt ze niet opgeven zonder daarbij wroeging te voelen. Ze verschillen van ‘defeasible commitments’ die je kunt opgeven zonder dat gevolgen heeft voor je identiteit. Voor veel mensen is hun kerk of hun partij een identiteitsbepalende commitment. Van kerk of partij veranderen is iets anders dan van sportschool of van krant veranderen. Williams heeft vooral die identiteitsbepalende commitments op het oog. Die constitueren je karakter. Het begrip ‘project’ wekt de indruk alsof Williams bij karakter en integriteit hebben vooral denkt aan mensen die in hun leven iets tot stand willen brengen. Maar ook een relatie, zoals de relatie van een boer met zijn land, kan een identiteitsbepalende commitment zijn.

Williams’ beschouwing over integriteit staat in het kader van een betoog waarin hij wil duidelijk maken dat er grenzen zijn aan wat je uit naam van onpartijdigheid van mensen mag vragen. Een regering mag niet uit naam van het staatsbelang van een diplomaat vragen dat hij een niet-joodverklaring ondertekent om in een bepaald land geaccrediteerd te kunnen worden. Ik vind dat Williams wel een plausibel beeld van karakter geeft, maar niet van persoonlijke integriteit. Mensen die integriteit hebben in de betekenis die Williams daaraan geeft, hoeven niet noodzakelijk over alle deugden van integriteit te beschikken. Een rijke megalomaan die zich heeft voorgenomen om voor zijn voetbalclub het grootste stadion van het land te bouwen mag wel karakter hebben, maar het valt te betwijfelen of hij zich van waarden als eerlijkheid en transparantie iets zal aantrekken. We noemen mensen in bepaalde rollen of posities pas integer als ze niet alleen taken en verplichtingen serieus nemen waarmee ze zich kunnen identificeren, maar alle taken en verplichtingen die ze door een rol te aanvaarden op zich hebben genomen. Van een hoogleraar die z’n  positie alleen heeft geambieerd om onderzoek te kunnen doen, mag je desondanks verwachten dat hij goed onderwijs geeft en zijn aandeel aan bestuurlijk en organisatorisch werk levert. Het verschil tussen persoonlijke integriteit als formeel begrip en een materieel begrip van integriteit is echter dat je bij het beoordelen van iemands persoonlijk integriteit alleen mag kijken naar commitments die iemand bewust en vrijwillig is aangegaan. Iemand kan persoonlijke integriteit hebben terwijl hij toch de verplichtingen van rollen die hij ongewild op zich heeft moeten nemen, verwaarloost. Neem een arts die zich totaal inzet voor hulp aan kinderen met AIDS in Afrika, maar haar eigen kinderen onvoldoende aandacht geeft.

 

Persoonlijke integriteit en geïntegreerde persoonlijkheid

Een geïntegreerde persoonlijkheid is een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde voor persoonlijke integriteit. Want een geïntegreerde persoonlijkheid heeft geen intrinsieke verbinding met de formele deugden van integriteit. Een geïntegreerd persoon hoeft niet eerlijk of oprecht te zijn. Een ander verschil heeft te maken met de plaats van consistentie. Ik heb hiervoor aan de hand van voorbeelden laten zien dat de waarneming van uiterlijke inconsistentie in iemands uitspraken, oordellen of gedragingen niet bewijzen dat hij een geïntegreerde persoonlijkheid is. Maar in veel van die gevallen is het wel zinvol om je af te vragen of zo iemand wel integer is. Ik gebruik in dit verband graag een voorbeeld dat ik heb ontleend aan een krantenbericht van enkele jaren geleden. Daarin stond dat een ambtenaar van het Ministerie van Defensie in z’n vrije tijd deel uitmaakte van een groep hooligans. Stel dat de man geen ambtenaar maar een dokter is. Stelt dat hij ons duidelijk weet te maken hoe zijn gewelddadige activiteiten in z’n levensverhaal passen. Toch zouden we twijfels houden omtrent de aard en de sterkte van zijn commitment aan de waarden en doeleinden van de geneeskunde.We verwachten dat dokters niet alleen voor hun levensonderhoud geneeskunde beoefenen, maar dat ze toegewijd zijn aan het welzijn mensen. Een dokter die ’s avonds mensen in elkaar slaat, kan niet integer zijn. Integriteit is een ideaal dat uitstijgt boven innerlijke eenheid en harmonie. Voor mensen die naar persoonlijke integriteit streven, is dat een deel van hun ideale identiteit.

 

Persoonlijke integriteit en de kwaliteit van richtinggevende plannen

Persoonlijke integriteit is, zei ik, een formeel-globaal begrip waarin de tweede-orde deugden van integriteit centraal staan. Wanneer van iemand gezegd wordt dat hij persoonlijke integriteit heeft, dan weten we nog niets van de inhoud van zijn richtinggevende plannen, maar wel iets over zijn houding ten opzichte van die plannen. Nu zou men kunnen denken dat voor een oordeel over iemands persoonlijke integriteit, de inhoud, de waarde van die plannen er helemaal niet toe doet. Zo ligt het echter niet. We kunnen ons niet voorstellen dat we iemand om zijn persoonlijke integriteit prijzen, terwijl zijn richtinggevende plannen waardeloos en zelfs immoreel zijn. Hoewel we die plannen niet hoeven te prijzen en toe te juichen, moeten ze wel binnen een spectrum blijven van wat we aanvaardbaar achten. Neem bijvoorbeeld Osama Bin Laden, de bekende islamitische terrorist. Duidelijk iemand met uitgesproken idealen en plannen. Duidelijk ook iemand met karakter.Laten we aannemen dat hij betrouwbaar, eerlijk en niet corrumpeerbaar is. Ondanks die prijzenswaardige kwaliteiten zouden we hem toch geen integer persoon noemen. Anders ligt het met Gert Schutte die er ook idealen en voornemens op nahoudt waarmee veel mensen niet kunnen instemmen. Toch zullen weinigen aarzelen hem een integer mens te noemen. Zijn ideeën, plannen en voornemens blijven binnen het spectrum van wat volgens ons een redelijk mens kan denken, willen en doen.

 

Morele integriteit

Morele integriteit is, stelde ik, een globaal-materieel begrip. Dat wil zeggen dat we op het gehele spectrum van iemands uitspraken en gedragingen letten en ook op de inhoud van waar iemand voor staat en wat hij met z’n leven wil. Wat de inhoud betreft: morele integriteit verwijst naar waarden, principes, regels en deugden die als essentieel beschouwd worden voor allerlei rollen die mensen gewoonlijk in een samenleving vervullen en die om die reden door alle mensen gedeeld moeten worden. Morele integriteit heeft met persoonlijke integriteit het kenmerk van consistentie gemeen. Het verschil tussen een integer persoon en een moreel integer persoon is dat bij de laatste morele waarden en principes deel uit maken van z’n identiteitsbepalende commitments.

            Een van de belangrijkste redenen waarom we belang hechten aan morele integriteit is dat we voor allerlei diensten en goederen afhankelijk zijn van mensen die we niet kennen en die we ook niet voortdurend in de gaten kunnen houden. We willen weten of we op ze aan kunnen; of ze ook daadwerkelijk doen wat van hen in een bepaalde context en rol verwacht mag worden. Morele integriteit is verbonden met de sociale kant van moraal; van moraal als een sociaal systeem van en bepaalde type beperkingen aan het gedrag waarvan de functie is om de belangen van andere mensen te beschermen en die zich aan een actor voordoen als een rem op z’n natuurlijke en spontane neigingen (Mackie 1977). Oordelen over morele integriteit zijn derde-persoons­oordelen, oordelen dus van toeschouwers. De basis daarvoor zijn de normatieve verwachtingen ontleend aan de in de samenleving geldende sociale moraal. Daarin verschillen oordelen over morele integriteit van die over persoonlijke integriteit waarbij de basis de eigen, mogelijk sterk idiosyncratische commitments van een persoon is. Om over de persoonlijke integriteit van iemand te oordelen, moet je als het ware in zijn verhalen kruipen.

 

 

David Lurie, de hoofdpersoon in J.M. Coetzee’s meermaals bekroonde roman Disgrace (1999) is docent Romantische poëzie aan de Technische Universiteit van Kaapstad. Lurie, een vijftiger, is tweemaal gescheiden. Hij dringt zich min of meer op aan de twintigjarige studente Melanie Isaacs die zijn college volgt. Ze beginnen een verhouding. Na een tijdje dient zij een klacht tegen hem in wegens ‘sexual harassment’. Hij vermoedt dat zij tot die stap is aangezet door haar vriend en een nicht. De klacht wordt behandeld door de Tuchtraad. Z’n collega’s – vrienden – vinden dat hij schuld moeten bekennen en berouw moeten tonen. Hij zal er dan met een disciplinaire maatregel vanaf komen. Hij erkent weliswaar schuldig te zijn aan de aanklacht en zegt dat het hem spijt, maar weigert te zeggen dat hij zich schuldig voelt. Hij neemt de volle verantwoordelijkheid voor de gevolgen van z’n daden. Hij heeft geen spijt aan zijn impulsen te hebben toegegeven – integendeel. Ondanks de druk die op hem wordt uitgeoefend weigert hij een verklaring te ondertekenen waarin staat dat hij inbreuk heeft gemaakt op de mensenrechten van de klager, zijn gezag heeft misbruik, zijn  verontschuldigingen aanbiedt en de hem op te leggen straf aanvaardt.

Het is onmogelijk om Lurie een integer docent te noemen.Want hij was zich heel goed bewust dat hij misbruik maakte van zijn positie als docent toen de affaire met Melanie begon. Haar ouders beschuldigen hem dan ook van schending van het vertrouwen dat zij in docenten stellen. Zij hebben immers hun kind aan hen toevertrouwd. Hij hamert er op dat Melanie een volwassen vrouw is die uit vrije wil de affaire met hem is begonnen. Lurie wil bovenal trouw aan zichzelf blijven. De affaire met Melanie was niet het gevolg van wilszwakte. Hij heeft bewust aan z’n neigingen toegegeven, zich daarmee geïdentificeerd. Nu wil hij z’n zelfrespect niet verliezen door door het stof te kruipen. Lurie is in mijn een voorbeeld van iemand die persoonlijke integriteit bezit zonder als docent integriteit te hebben. Hij laat z’n persoonlijke overtuigingen zwaarder wegen dan de legitieme normatieve verwachtingen ten aanzien van zijn gedrag als docent.

 

 

 

Lokale integriteit

Lokale integriteit verschilt hierin van morele integriteit dat die beperkt is tot de moraal van een specifieke sociale rol. Velen zullen zich Madame Edith Cresson nog herinneren, het vroegere Franse lid van de Europese Commissie. Ze werd ervan beschuldigd bekenden te hebben bevoordeeld. Beschuldigingen van gebrek aan integriteit in een rol betreffen daarnaast fraude, het aannemen of verstrekken van smeergeld, fraude en chantage. Meestal strekken beschuldigingen van gebrek aan integriteit zich niet uit tot de ‘technische’ aspecten van rolvervulling. Het is heel goed mogelijk dat Madame Cresson een kundig commissaris was.

            Wat nu is de definitie van lokale integriteit? Iemand heeft integriteit in een bepaalde rol als hij zich sterk gecommitteerd heeft aan de doeleinden en waarden van die rol, en als hij consistent in overeenstemming met de waarden, principes en regels van die rol handelt. Een integer politieman bijvoorbeeld maakt geen misbruik van de macht, de privileges, mogelijkheden en kansen die de rol hem biedt, noch om geldelijk gewin te verkrijgen noch vanwege andersoortige voordelen, noch voor zichzelf, noch voor mensen met wie hij een speciale relatie heeft.

            In een samenleving als de onze, zei ik eerder al, hebben we meestal met mensen in bepaalde rollen te maken. Als we de integriteit van iemand in een rol beoordelen, letten we voornamelijk op zijn gedrag in die rol – dus slechts op een beperkt scala van zijn gedragingen. Het interesseert ons niet of de garagehouder z’n vrouw bedriegt, als hij ons maar niet bedriegt bij de verkoop van een auto of het verrichten van reparaties. We willen er zeker van zijn dat we iemand in een rol kunnen vertrouwen, ook in situaties waarin hij onder druk komt te staan of waarin hij aan verleidingen wordt blootgesteld. En we willen dat vooral weten als wij de afhankelijke en dus meest kwetsbare partij in een relatie zijn.

            Hoewel we vaker contacten hebben met winkeliers en verkopers dan met ambtenaren, is er veel meer discussie over de integriteit van de laatsten dan over die van de eerstgenoemden. Kijk maar naar de onderwerpen die in de media aan de orde komen. Daarvoor is een eenvoudige verklaring. Als een garage me een gammele tweede-hands auto verkoopt, word ik in mij belangen geschaad. Maar tot op zekere hoogte kan ik wraak nemen. Ik kan naar een brancheorganisatie, de Consumentenbond of de ANWB stappen. Burgers die gebruik moeten maken van publieke diensten en voorzieningen, zijn geheel afhankelijk van de ambtenaren en functionarissen die daar werken. Iemand die onheus bejegend wordt bij de Sociale Dienst, heeft niet veel mogelijkheden om ze terug te pakken. Hij kan ook niet naar een ander kantoor stappen. Verder is het doel van publieke voorzieningen het dienen van het algemeen belang. Aan dienaren van het algemeen belang stellen we hogere eisen dan aan een garagehouder van wie we weten dat hij ook zijn eigenbelang dient en moet dienen, om niet failliet te gaan.

 

Beoordeling van integriteit

Hoe kunnen we tot een oordeel over de integriteit van mensen komen? Voornamelijk door te letten op de consistentie in hun oordelen en gedragingen. Want de meeste mensen bij wier integriteit we een zeker belang hebben, kennen we te slecht om iets te zeggen over hun diepere gedachten en drijfveren. In andere publicaties betoog ik uitvoeriger dat observaties van inconsistenties alleen maar als indicaties van een mogelijk gebrek aan integriteit beschouwd kunnen worden (Musschenga 2001). Zeker waar het persoonlijke integriteit betreft. Waarnemers spreken van inconsistentie wanneer ze op grond van iemands gedragingen in soortgelijke vroegere situaties, verwachten dat hij in een gegeven situatie opnieuw gedrag P laat zien, terwijl hij dat niet doet. Van incoherentie spreken ze wanneer iemands gedrag in situatie X niet spoort met zijn gedrag in situatie Y. Maar de actor kan een situatie heel anders waarnemen en interpreteren dan buitenstaanders. De vraag is dan of hij er in slaagt het voor de buitenstaanders aannemelijk te maken dat er van inconsistentie of incoherentie geen sprake is. Iemand kan ook bewust er voor kiezen een ambivalentie in zijn gedrag te laten bestaan, omdat de prijs van het wegnemen daarvan te hoog is. Bijvoorbeeld een zelfbewust en zelfstandig Marokkaans meisje dat zich thuis onderwerpt aan het gezag van haar vader omdat ze haar familie niet wil verliezen. Verklaringen voor dergelijke inconsistenties kunnen alleen in de vorm van een verhaal gegeven worden..

            Bij de beoordeling van lokale en morele integriteit staat niet het gezichtspunt van de actor voorop maar de normatieve verwachtingen van de groep/gemeenschap. De actor wordt na waarneming van een inconsistentie/incoherentie uitgedaagd om zijn critici er van te overtuigen dat zijn handelwijze voortvloeit uit een verdedigbare interpretatie en gewichtstoekenning van voor die context relevante, algemeen aanvaarde principes en regels.