Religieuze trends (in West Europa)
Inleiding 'Besturenraad', Ermelo 24 november 2004

Anton van Harskamp (Blaise Pascal Instituut VU/Faculteit der Sociale Wetenschappen VU)

1. Het zal gaan over huidige religieuze trends in West Europa, in het bijzonder in Nederland, en met het oog op trends onder jongeren. En dat zal moeten gebeuren in zo'n 20 tot 25 minuten. Dat betekent - en dit is ook een beetje een waarschuwing - dat ik alleen in héél grote lijnen, en in abstracte lijnen enkele ontwikkelingen in religie en in religiositeit kan aanduiden.

Vooraf meld ik u nog dat ik niet zozeer als theoloog of godsdienstfilosoof zal kijken naar religieuze trends, ook niet als een fenomenologisch werkende of beschrijvende godsdienstwetenschapper, maar als (sociaal-)theoretisch godsdienstsocioloog.

2. Indien we de trends die ik zo direct zal aanduiden - en ik noem nu al wat voorbeelden: groei van religieuze zelf-spiritualiteit onder de wat ouderen, toenemend accent op de beleveniskwaliteit van religie onder jongeren, verder onder de jongeren accent op de rol van religie voor identiteitsvorming, en op de praktische, bruikbare kanten van religie (pragma-religiositeit), alsmede onder vooral reformatorische jongeren een ontwikkeling in de richting van neo-evangelicalisme - indien we díe tendensen willen begrijpen, dan kunnen dat alleen doen tegen de achtergrond van enerzijds een feitelijke reactie op een oudere historische trend én anderzijds tegen de achtergrond van de huidige doorgaande trend tot religieuze individualisering.

Eerst enkele woorden over die wat oudere trend.

2.1. Wanneer we kijken naar het lot dat religie ondergaat in de moderne tijd, zeg, vanaf begin achttiende eeuw in Europa, kunnen we constateren dat voor steeds meer mensen - niet voor alle mensen en groeperingen in alle streken van West Europa - religie steeds minder gaat functioneren als een alles bepalende code en een alles doordringende dimensie van het hele sociale én persoonlijke leven. Religie wordt steeds minder een met het economische, politieke, culturele leven verweven geheel van praktijken en ervaringen; en religiositeit wordt steeds minder een ervaring en een dimensie van het leven die aan alle mogelijke objecten, personen en gebeurtenissen opgedaan kan worden.

De scheiding die altijd al gemaakt werd tussen ervaring van het heilige en ervaringen in het profane gebied, geeft bijvoorbeeld Emile Durkheim aan, één van de vaders van de sociologie, wordt vanaf het einde van de achttiende eeuw scherper. En een moderne theoloog als Schillebeeckx, en godsdienstsociologen als F.-X. Kaufmann, in Nederland Gerard Dekker, benoemen als één van de effecten daarvan de tendens tot verkerkelijking. Dat was de tendens tot opsluiting van religie en religiositeit in een kerkelijke setting. Religie - en bedenk wel, dat woord is als aanduiding voor een specifiek terrein van de menselijke werkelijkheid überhaupt een relatief modern, want 'pas' vanaf midden achttiende eeuw gebruikt begrip - werd steeds meer een identificeerbare, gereguleerde, apart staand geheel van overtuigingen, geloof en praktijken wordt, gebonden aan gespecialiseerde instituties, de kerken.

Welnu, wat we nu, dat is vanaf de jaren '60 zien, en dus als we om zo te zeggen van grote afstand kijken naar ontwikkelingen is een proces van uitbraak van religie uít de kerken. Het is een proces ook, waarin sociaal-cultureel gezien religie en religiositeit als het ware dereguleren. Dat wil onder meer zeggen, dat religie steeds minder in bepaalde instituties beleefd wordt, en dat de religieuze praktijk steeds minder volgens een duidelijk herkenbaar en identificeerbaar patroon geregeld wordt, en dat religiositeit ook vager en diffuser lijkt te worden.

Ik voeg terzijde toe: volgens vele waarnemers is die sociaal-culturele deregulering van religie tegelijk een proces van 'ontchristelijking', waarmee men niet alleen wijst op de toch steeds doorgaande ontkerkelijking, maar ook op het gegeven dat het christendom, in de gestalte van kerken, of als een vorm van geloof opgevat, steeds minder betekenis krijgt voor de wijze waarop vele mensen toch nog steeds religieus zijn.

2.2. Er is een andere grote tendens die we moeten begrijpen, willen we de wat meer specifieke tendensen op religieus gebied enigszins kunnen plaatsen. En die tendens die noem ik: privatisering.

Privatisering op religieus gebied betekent in de eerste plaats dat ieder zichzelf ervaart als een persoon die op religieus terrein zélf beslist en zélf kiest, op basis van eigen gezag (en zich bijvoorbeeld naar dat eigen gezag elementen uit één of meer tradities kan toe-eigenen). Terzijde: vaak wordt ook het woord 'ont-traditionalisering' naar voren gebracht - heb ik zelf ook vaak gedaan - maar dat kan misverstanden wekken. In nieuwere vormen van religiositeit kunnen nieuwe gelovigen putten uit heel verschillende tradities; sommigen willen zich zelfs verbinden met of postioneren in een traditie. Zodat het kan lijken of 'traditie' helemaal niet weg geweest is. Maar dat is toch niet een juiste waarneming. Privatisering houdt in dat mensen zichzelf ervaren als personen die op basis van eigen gezag en eigen behoeften elementen toe-eigenen uit één, sommigen zelfs uit meer tradities. Daarmee is een traditie geen min of meer vanzelfsprekend geldende culturele stroom waarin men leeft en waaruit men put.

Privatisering op religieus gebied betekent in de tweede plaats dat de persoonlijke religieuze beleving meer en meer belangrijker wordt. Hetgeen ook weer twee dingen inhoudt. Namelijk: a) de neiging om zich minder te richten op datgene dat als het ware van buitenaf, zeg maar objectief, een individu aanzet tot beleving - iemand 'beleeft' immers niet zo maar iets, men beleeft iets áán een gebeurtenis, een persoon, een kracht, een handeling, een object als een schilderij of een gebouw - maar meer op de subjectieve dimensie van het beleven. In die dimensie neemt men het unieke, onherleidbare van zichzelf gewaar. En b) houdt deze vorm van privatisering in dat datgene wat objectief is, als het ware afgetast, gewogen én beoordeeld en wordt op de vraag of het precies míjn subjectieve beleving prikkelt.

Privatisering in deze zin leidt daarmee tot continue reflectie, tot een constant heen en weer tussen 'het objectieve' én de subjectieve dimensie van mijn beleving. Wat inhoudt dat, als in de beleving van religiositeit het accent niet helemaal kan liggen op pure beleving, zeg maar op de religieuze kick, in vele vormen van religiositeit - in bijvoorbeeld de evangelicale, de pentecostale, ook in de nieuwe-tijdssfeer, reflectie, zoeken, twijfel als het ware media zijn waarin de religiositeit zich uit.

2.3. Voordat ik nu probeer om iets specifieker te worden, moet ik nog enkele ogenblikken abstract blijven.

Men kan soms horen zeggen dat de drang naar persoonlijk beleving van de religie, een drang zoals die dus met het proces van privatisering gegeven is, 'eigenlijk' al oud is. Zouden we die drang niet bijvoorbeeld bij Augustinus vinden - de ontdekker van het innerlijk zelf, wordt hij wel genoemd - vinden, dan toch zeker bij de Reformatie? Zegt men dan! Of, wanneer men dan toegeeft dat het protestantisme ondanks alle nadruk op de persoonlijk beleefde relatie tot God, tóch - ik volg hier Paul Tillich - een conformistisch systeem was, waarin wel degelijk gezag van kerk, traditie, Schrift of gewoon van geestelijken beslissend was voor het geloof van een persoon, dan zouden we toch zeker wel van privatisering van religie kunnen spreken bij het piëtisme, of bij het methodisme, in ieder geval bij de Verlichte varianten van de christelijk religie en religiositeit, einde achttiende, begin negentiende eeuw?!

Nee, geeft diezelfde Tillich aan, de privatisering in díe vroegere perioden van de christelijke religie in Europa was weliswaar een zekere bevestiging van het individuele 'zelf', maar die bevestiging ging samen met het geloof in een universele harmonie van al die 'zelven' in een uiteindelijk door God gegeven ordening. Sociologisch gezien werd in die eerdere perioden het gezag van kerk, traditie of geestelijkheid nog steeds als vanzelfsprekend aanvaard, niettegenstaande de protestantse traditie, die kort door de bocht gesteld, de nadruk zou leggen op de persoonlijke relatie van de enkele mens tot God.

Welnu, in de lijn denkend en waarnemend van onder anderen de filosoof Charles Taylor moeten we, denk ik, constateren, dat vanaf de culturele revoluties van de jaren '60 een nieuwe dimensie gekomen is in de beleving van religiositeit.

Drie dingen zijn over die nieuwe dimensie te zeggen. In de eerste plaats werd de neiging versterkt om het transcendente als het ware naar beneden te halen, naar de immanentie, in het bijzonder naar 'de onnaspeurlijke diepten van het eigen zelf'. Niet alleen zou die neiging zelf versterkt worden, ook zou die religieuze oriëntatie op het 'zelf' als ontvangstplaats van zeg maar het heilige of het goddelijke, een door velen gedeelde oriëntatie worden. Zoals in het algemeen de gerichtheid op het eigen 'ik' in die jaren '70, '80 en '90 een massaverschijnsel werd.

Het nieuwe bestond er in de tweede plaats in, dat in de jaren '80 en '90 religiositeit als het ware meeging met neigingen in het zogenaamde 'ik-tijdperk', zodat religiositeit ingezet werd bij de zoektocht van individuen naar hun ware, authentieke 'zelf' en bij het zoeken naar expressie, naar uitdrukking van dat 'zelf' als onvergelijkbaar, uniek wezen van oneindige waarde (daarvoor ben ik zo onbescheiden u te verwijzen naar mijn boek over Het nieuw-religieuze verlangen).

En het nieuwe, het kwalitatief nieuwe zou in de derde plaats er vooral mee te maken hebben dat, wanneer ik deelneem aan een religieuze praktijk of wanneer ik een religieuze overtuigingen aanhang, dat niet alleen mijn keuze is, maar dat die praktijk ook mij, in eerste instantie ook mij alleen, moet aanspreken, dat wil zeggen mijn beleving moet prikkelen, hetzij als een moreel-religieus hetzij vooral als een spiritueel individu. Dat is volgens Taylor iets nieuws, vergeleken met de tijd waarin men nog maar kort geleden geacht werd bijvoorbeeld voor een denominatie te kiezen. Een keuze tóen - zeg in de jaren '50 en de decennia daarvoor - werd volgens Taylor geacht een keuze te zijn binnen een algemeen aanvaard kader, bijvoorbeeld dat van het algemeen christelijk geloof in God de Vader, in de wereld als schepping, in de verlossing of bevrijding door Jezus Christus. Waarna men geacht werd een kerk te kiezen die naar ieders oordeel het beste dat kader invulde en waarin men zich het meest comfortabel voelde. Een keuze zou zo gekleurd zijn door ieders unieke, van anderen onderscheiden en gescheiden behoefte aan authenticiteit van het 'zelf' en aan beleving in en van dat 'zelf'. Waarmee de binding van het individu aan een gedeeld kader, en ook simpelweg de binding van individuen aan elkaar in een religieuze gemeenschap, onder grote druk komt te staan.

3. Het is tegen de achtergrond van deze twee, zeg maar 'master-tendencies', dat we de volgende vier trends op religieus gebied kunnen onderscheiden.

3.1. Eén trend is dat er overal op de wereld, vooral in Afrika, Oost en Zuidoost Azië, Latijns-Amerika een nieuw soort christendom aan het groeien is, sterker nog dan de Islam. Dáár dus, níet in West Europa! In Afrika alleen al groeit dat christendom met 8,4 miljoen per jaar (World Christian Encyclopedia 2001) waarvan 1,5 miljoen bekeerlingen (dus geen bevolkingsgroei). De diversiteit van dat 'global Next Christendom' waarmee de verplaatsing plaatsvindt van het tijdperk van het Westers christendom naar het tijdperk van het Christendom van het Zuiden, van Rome en Geneve naar Kinshasa, Manilla en Seoel, die diversiteit is.

Maar er zijn overeenkomsten. Het is een christendom dat moreel conservatief en religieus orthodox is, regelmatig ook eindtijdgelovig, sterk op de beleveniskant van religie gericht en charismatisch, maar ook pragmatheïstisch. Dat laatste wil hier zeggen dat men in het oog van de buitenstaander van God een bruikbare God maakt, dienstbaar aan de wens naar gezondheid en welzijn, in het algemeen eerder een christendom dat doet denken aan de hoge Middeleeuwen dan het verburgerlijkte en verkerkelijkte christendom waaraan wij nog een herinnering hebben. Alleen al om deze reden is het juist wat Chris Keulemans pas schreef in het informatieblad van Buitenlandse Zaken (IS, dat is Internationale Samenwerking, okt. 2003, 30), namelijk dat wanner wij - hij bedoelt hoopopgeleide, seculiere westerlingen - níet onze blinde vlek voor religie ongedaan maken, we binnenkort geen antwoord meer hebben op een door godsdienst gedreven wereld. 'Met de overtuiging dat een samenleving zonder God het uiteindelijk zal winnen' - en met de overtuiging dat zo'n samenleving in alle gevallen beter is - 'zetten we ons zelf buiten spel'. Het is tijd voor herzien van uitgangspunten, zegt Keulemans.

3.2. Een tweede trend, die wel tegengesteld lijkt aan de zojuist aangeduide, betreft ontwikkelingen in West Europa. Die trend bestaat zelf weer uit twee tendensen.

3.2.1. De eerste is dat West Europa voor wat betreft het christendom gekenmerkt wordt door zogenaamde euroseculariteit. Gezien de net genoemde groei van 'the Next Christendom' maakt het relevantieverlies van het christendom in West Europa op alle niveaus (van staat, politiek en publiek domein tot individu) onze regio tot een mondiaal gezien letterlijk uitzonderlijk gebied.

Even terzijde, hier wel een kanttekening. Secularisering van het christendom blijft doorgaan, maar opvallend is dat in de jaren '90 de waardering van de Nederlanders voor christendom en geloof níet afgenomen is, ondanks doorgaande kerkverlating dus, ondanks ook vermoedelijk betekenisverlies (in kennis en relevantie) van het christelijk geloof voor het individu. Ofschoon sociologen steggelen over de vraag of die waardering meer is dan lippendienst, zou het kunnen dat Nederlanders behoefte houden aan de zichtbare presentie van de christelijke religie. Of het net door de NRC bevorderd onderzoek hier ook bij past, het onderzoek dat als uitkomst heeft dat Nederlanders dolgraag een kerk in hun dorp of wijk willen houden, durf ik niet te zeggen. Eén plausibele, ofschoon nogal abstracte verklaring hiervoor is, dat Nederlanders op één of andere manier een zichtbare uitdrukking willen houden van de herinnering aan de morele en culturele bronnen van, laat ik maar dat nare woord gebruiken, de Nederlandse natie (wat ook al één reden zou kunnen zijn, waarom men er meestal mordicus tegen is dat leegstaande kerkgebouwen definitief door moslims overgenomen worden!).

3.2.2. Betekent die euroseculariteit nu dat het uitzonderingsgebied 'Nederland' geheel geseculariseerd is? En nu komt de tweede tendens van de religieuze ontwikkelingen in West Europa. Volgens veel jongere onderzoekers moet het antwoord op die vraag zijn: absoluut niet! Het is volgens hen absurd om bijvoorbeeld een land als Nederland geseculariseerd te noemen, waarin slechts 5,9% zegt atheïst te zijn (EVS, European Values Study: A Third Wave: Source Book of the 1999/2000 European Values Study Surveys, EVS/WORC Tilburg University 2001, p. 81). Nederland lijkt qua betrokkenheid bij kerk en christendom wel één van de meest geseculariseerde landen van Europa, maar bijna 65% van de mensen noemt zichzelf een religieus persoon, 73% gelooft in een God of in een hogere macht, rond de 50% in een leven na de dood (en dat aantal groeit significant onder jongeren). Verder zegt meer dan 70% te bidden of te mediteren, meer dan 50% gelooft in telepathie (en de mogelijkheid van wonderen) en voorspellende dromen, en zo tussen minimaal de 20% en 25% in reïncarnatie. Het aantal mensen dat religieuze ervaringen zegt te hebben, is niet onderzocht, maar afgaande op onderzoek in de V.S. (meer dan de helft) mogen we verwachten dat het percentage aanzienlijk zal zijn. Onderzoek in Engeland - recent nog van de BBC - wijst uit dat zo tussen de 25% en 30 % van de mensen meent niet-religieus kerkgebonden, wel spiritueel te zijn. Een Engelse godsdienstwetenschapper, Paul Heelas, meent dat er onder die laatsten - het betreft voornamelijk leden van de generatie van de veertigers en de baby-boomers - zich een spirituele revolutie aan het voltrekken is, met o.a. geloof in het eigen, hogere of diepere zelf dat het contactorgaan is met spirituele power, geloof dat het niet aankomt op leer of kennis, maar op helende handelingen, geloof dat alle religies één diepere waarheid in vele gestalten verkondigen.

Dit was dus een tweede tendens in West Europa: niettegenstaande de toenemende eurosecularisering - een ontwikkeling die scherp afsteekt tegen ontwikkelingen in het Zuiden - lijkt een groot aantal, volgens sommige Engelse onderzoekers, zelfs een toenemend aantal mensen - maar let wel, geen jongeren, maar zogenaamde oudere jongeren, veertigers en vijftigers - zichzelf als spiritueel, zelfs als religieus (maar niet kerkelijk) te zien.

3.3. Laat ik nóg een moment stil staan bij die algemene tendensen in West Europa, dus bij kort samengevat de tendens naar wat op sociaal en collectief vlak genoemd wordt euroseculariteit aan de ene kant, en aan de andere kant op individueel vlak de tendens van een vermoedelijk toenemende belangstelling voor en praktisering van, niet zozeer religie, maar van spiritualiteit.

Nu wil ik graag melden dat in de sociaal-wetenschappelijke literatuur over de betekenis en het gewicht van die laatstgenoemde tendens, die naar spiritualiteit dus, die dus vooral een tendens naar zelf-spiritualiteit (naar, zeg maar nadering van de grond, mysterie, kern van het bestaan door verkenning van het innerlijk zelf), heel verschillend geoordeeld en 'geduid' wordt.

Daar zijn allereerst de meer klassieke duidingen, die al bij Max Weber te vinden zijn. Die komen er op neer dat de vrijzwevende, dat wil zeggen, sociologisch (en theologisch) gezien ongebonden, niet in een institutie beoefende spiritualiteit individuen even troost biedt, of voor even compensatie, namelijk voor het leven in de 'ijzeren kooi', dat, volgens deze duidingen het zogenaamde hectische, flexibele leven dankzij zielloze sociale systemen toch is: een geestelijke uitbraak voor even uit de zielloosheid van het gewone leven.

Daar is vervolgens een soort duidingen waarin gevarieerd op de gedachte dat de emotiemaatschappij waarin we leven, de 'Erlebnisgesellschaft', mensen er toe aanzet in hun vrije tijd en privé-leven ook spirituele belevenissen te ondergaan: een sociaal gezien vrijwel betekenisloze vorm van reli-consumentisme. Terzijde: recent onderzoek in Zweden - een land dat, afgezien van een hoge graad van kerklidmaatschap - wel te vergelijken is met Nederland, levert aanwijzingen dat nieuwere soorten van religiositeit en quasi-reliogiositeit, variërend van belangstelling voor paranormale verschijnselen tot aan beoefening van Oosterse spiritualiteit in groepsverband behoorlijk breed verspreid zijn, maar duidt men aan de saillantie en impact ervan voor het dagelijks leven van mensen (en voor de zogenaamde 'ego-involvement') is gering. Dus: er is wel veel belangstelling voor religiositeit en spirtualiteit, maar de beoefening ervan betekent weinig voor de wijze waarop men het leven leidt. Laat staan dat de individueel beoefende religiositeit van betekenis is op het publieke terrein. Zo;n soort gegeven heeft mij in een paar recente publicaties geleid tot de gedachte dat we in een situatie zitten waarin aan de ene kant de secularisering doorzet - in de betekenis van afname van betekenis van religie voor individu en samenleving - maar dat de belangstelling voor, ja zelfs de geprivatiseerde beoefening van religiositeit toeneemt: 'shrinking and expanding transcendence'!

En dan is er nóg een groep duidingen. Die komen er op neer dat de doorsnee, licht 'vernieuwetijdste', dus op het 'zelf' gerichte spiritualiteit, bij uitstek mensen aanpast en inpast in de neoliberale moraal. De meest sprekende voorbeelden komen uit het onderzoek, bijvoorbeeld aan het Meertensinstituut, aan de VU, ook, in Denemarken en Engeland, naar de invloed van new-age achtige theorieën over self-empowerment in main stream management- en organisatietheorieën. We moeten niet onderschatten hoeveel new age - afgevlakt, dat wel - in de wereld van, niet alleen persoonlijkheidscursseen, consultancy en IT al doorgedrongen is (door contact te maken met je diepere 'zelf' de power laten stromen die door het 'team' gaat. Ook niet onderschatten in welke mate het type denken dat management wil verbeteren door het laatste gebied te exploreren dat nog niet geëxploreerd is, namelijk de individuele spiritualiteit, de facto aansluit bij een wijze van denken die de persoon geheel en al voor het bedrijf, het team wil inzetten, hoe het eindeloze flexibiliteit bevordert, hoe het het denken in termen van winners en losers aanjaagt. Kortom, een ideaal veld voor kritisch verkenning.

4. Dan de derde trend die ik hier aanstip. Die kan ook weer opgesplitst worden in verschillende subtendensen, onder verschillende groepen jongeren.

4.1. Daar is dan ten eerste een vanaf de jaren '60 tot op heden bij zowel ouderen als bij grote groepen jongeren een zodanig wantrouwen ten opzichte van religieuze instituties en organisaties dat men niet bereid is daaraan te participeren, ook al uit dat wantrouwen bij jongeren zich niet meer zo sterk in aanvallen op kerk en christendom. Dat vinden we in bewegingen én bij vrij-zwevenden. Voor de meeste vormen van nieuwe religiositeit lijkt te gelden: afkeer voor zichzelf van kerk, religie, hiërarchie, theologie, dogma. In meer positieve termen: voorkeur voor spiritualiteit. 'Ik geloof niet in God, wel heel erg in spiritualiteit', kun je horen zeggen. Volgens de Amerikaanse katholieke theoloog Tom Beaudoin is dit één van de krachtige kenmerken van de nieuwe religiositeit, volgens hem in het bijzonder karakteristiek voor de baby-boom generatie (globaal die van de tweede helft jaren '40 en de eerste helft jaren '50), maar het opvallende is - althans in de V.S. - dat dit anti-institutionele sentiment bij hun kinderen, de Generation X, de kinderen van de jaren '70, nog sterker is geworden. Hij analyseert teksten, clips, kleding en gedrag van deze generatie en komt tot ontdekking dat het anti-institutionele pathos, dat wil zeggen de aanval op kerkelijke instituties, vooral op de katholieke kerk, daarin sterk is.

Maar toch … ziet hij in deze generatie een sterk verlangen naar religiositeit. Alleen neemt die de gestalte aan van wat hij noemt 'irreverent spirituality', oneerbiedige, bewust schokkende spiritualiteit, één die ín de aanvallen op menselijke autoriteit, ín het sterke accent op lichamelijkheid, sensualiteit zelfs, en ín het besef en de expressie van het inherent gewelddadige karakter van veel van onze samenlevingsvormen, toch een verlangen naar heelheid ziet, zich onder meer uitend in een verrassend grote sympathie voor de lijdende Jezus.

Dit verlangen naar 'irreverent spirituality' kan zich onder een zowel in de V.S. als in Nederland ook in een meer speelse, maar nog maar door weinigen begrepen vormen uiten. Onder bepaalde groepen jongeren is er een duidelijke belangstelling voor, zeg maar, de meer donkere aspecten van religie en spiritualiteit: de volgens sommigen nauwelijks nog ontdekte wereld van magie, gothic, fantasy, die op het eerste gezicht meer speels en spelend en 'pragmatheïstisch' dan schijnbaar of echt serieus ontdekt wordt. Maar dat laatste is een al te gemakkelijke interpretatie. Aan het Meertens Instituut, ook aan de VU en de UvA zijn enkele onderzoekers bezig met onderzoek naar de wereld van fantasy, paranormaal-beurzen, gothic cultuurtjes e.d.

Nog drie opmerkingen bij het blijvend anti-institutionele affect onder oudere en jongere nieuw-religieuzen:

4.2. De tweede subtendentie. Er is heel vaak merkbaar een streven naar en een hopen op de emotie als onmiddellijke beleving van het hogere, het goddelijke, de energie, of welke benaming men ook maar gebruikt. Twee kanten zitten hieraan. De eerste is dat de betekenis, je zou kunnen zeggen zelfs de definitie van religie, hiermee veranderen. Ik heb feitelijk al aangeduid, de beoefening van religiositeit verandert van een gehoorzamende, dienende gerichtheid op het uiteindelijke gezag van een transcendentie godheid, naar een menselijk streven om in contact te komen met datgene wat aan gene zijde van ons gewone menselijke bestaan ligt én voor ons tegelijkertijd van ultieme waarde is. En kenmerkend voor nieuwere vormen van religiositeit is dat dit contact in de onmiddellijke beleving gerealiseerd zou moeten worden. Dat verschijnsel is niet zelden ook waarneembaar op religieus terrein, in het bijwonen van grote religieuze manifestaties bijvoorbeeld, religieuze popconcerten, healingservicebijeenkomsten e.d.

4.3. En dan een derde subtendentie. Dat is een neiging, ten dele ingaand tegen de eerstgenoemde subtendentie, onder groepen jongeren om, meestal in de sfeer van charismatische (bijvoorbeeld evangelical of pentecostale religiositeit) een meer christelijk orthodoxe posities in te nemen. In de V.S. signaleert de Amerikaanse Colleen Carroll zo'n duidelijke tendens onder vooral hoger opgeleide, meestal blanke, jongeren op universiteitscampussen, maar ook in suburbs en oude stadwijken. Volgens Carrol is er een morele (en religieuze) tegenrevolutie gaande onder adolescenten en jong-volwassenen: de vrije sexuele moraal zou minder aangehangen worden, en onder deze groepen zou het anti-institutionele vertoog en het vrijheidsethos veel minder voorkomen dan bij hun baby-boom-ouders (wel zouden ze, net als hun ouders, wel het ideaal van persoonlijke authenticiteit hooghebben, maar de weg daartoe zou, anders dan bij hun baby-boom-ouders niet via spiritualiteit of psycho-gebabbel gaan, maar via beleving - weer beleving! - binnen een op het eerste gezicht orthodox-christelijke setting. Carroll ziet bij alle verschillen tussen deze jongeren de volgende overeenkomsten: a) een verlangen naar een relatie met een goddelijke, geestelijke persoon, een relatie die het individu authenticiteit, en - belangrijk - ook holiness en morele zuiverheid moet brengen; b) een verlangen naar een voor de omgeving uitdagende vorm van inzet van hun geloof. Dat kan zich uiten in deelname aan kleine, warme gemeenschappen, maar ook in community service, in hulp aan verslaafden (sporen, spoortjes ervan ook in Nederland, in bijvoorbeeld de nog steeds kleine groepen van de zogenaamd Vineyard-gemeenschappen; c) een zeker verlangen naar leven vanuit een instelling die niet al te zeer gericht is op bevrediging van het 'ik': niet altijd toegeven aan begeerten, commitment aan anderen, zelfs bereidheid zich te onderwerpen aan het gezag van bijvoorbeeld een voorganger.

De vraag is natuurlijk of een dergelijke tendens zich ook in Nederland aftekent. Mijn indruk is: niet in de duidelijke vormen en omvang als in de V.S., maar een enigszins vergelijkbare ontwikkeling lijkt merkbaar te zijn onder jongeren, afkomstig uit de kleinere reformatorische kerken en gemeenschappen. Onder hen kunnen we een neiging bespeuren om op te schuiven naar een meer 'evangelical' beleving van het geloof, en beleving waarin 'het zelf', veel meer zelfs dan in de meer bevindelijke, reformatorische richtingen centraal staat, en waarin de expressie via, bijvoorbeeld , evangelische, moderne muziek, een grote rol speelt. Voor wat betreft deze tendensen zijn we - Nederlandse sociologen en cultureel-antropologen - nog niet veel verder dan vermoedens. Op dit moment lopen er aan de VU twee onderzoeken waarin de vraag centraal staat of we inderdaad onder reformatorische jongeren de neiging vinden tot een meer 'evangelical' geloofsbeleving.

5. Tot slot stip ik nóg een tendens aan, dit keer onder moslimjongeren, die ook onze scholen en instellingen bezoeken. De religieuze tendensen onder hen lijken een wat andere te zijn dan onder autochtone jongeren, dus een andersoortige ontwikkeling dan bij de spirituele 'boomers' en de orthodoxe, charismatische of gothic 'busters'. Bij hen lijkt zich aan de ene kant wel degelijk een zekere secularisering af te spelen. En wel in drie opzichten:

6. Ik sluit af, vat een deel van het betoogde samen, en concludeer in de vorm van enkele stellingen: