Religie in de krant

Inleiding voor redacteuren van de Volkskrant op dinsdag 28 okt. 2003

 

Anton van Harskamp

 

Drie vragen zijn me dus voorgelegd: naar eigen mediagebruik, naar de rol van de Volkskrant daarin, en naar suggesties over de rol die ‘religie, levensbeschouwing en zingeving’ in uw krant zouden kunnen spelen.

 

1. In het antwoord op de eerste probeer ik kort te zijn. Al was het maar ‘omdat ik me niet graag met mijn eigen privé-zaken bemoei’ (Karl Kraus), er zeker niet graag over praat.

 

Voor m’n werk – religieuze ontwikkelingen in het Westen, met name van fundamentalisme en nieuwe religiositeit - maak ik gebruik van de gebruikelijke ‘media’: wetenschappelijke tijdschriften, boeken, bundels, scripties, onderzoeksrapporten, internet. Weinig niet-wetenschappelijke bladen – soms Nexus of een ander blad wanneer de krant, dat is meestal de NRC, me erop wijst dat er iets over religie te vinden is, in Boeken, artikelen of columns van Bas Heijne, Marjoleine de Vos of Paul Schabel. Buiten m’n werk – ben lezer van literatuur en geïnteresseerd in politiek, ook in ontwikkelingen in de wetenschappen – moet ik het hebben van boeken waarop de krant me wijst, ook van de krant zelf natuurlijk, van internet en t.v, in die volgorde voor wat betreft de hoeveelheid tijd die opgaat aan informatie zoeken.

Kortom, ik ben geen fanate krantenlezer. En wanneer ik de NRC lees, dan nogal eens alleen scannend, soms dagen later - met het excuus: ‘te weinig tijd’. Alleen ‘Boeken’ lees ik wekelijks, ‘Wetenschap’ iets minder frequent. Van de Volkskrant en Trouw lees ik zo nu en dan alleen artikelen wanneer collega’s of vrienden mij op een bijzonder artikel wijzen.

 

In mijn leesgedrag én keuze van krant hoor ik, vermoed ik, tot die sociale groep met relatief klassieke, zo u wilt, conservatief culturele kenmerken. ‘Mijn soort mensen’ blijkt de Volkskrant niet te lezen. Mijn indruk is dat in het bijzonder onder universiteitsmedewerkers, althans die in de alpha- en gammasector, uw krant weinig gelezen wordt, minder althans dan onder studenten, bij wie uw krant het veel beter lijkt te doen, maar ... bij hen weer niet zo goed als Metro en Spits.

 

2. Met het oog op deze bijeenkomst heb ik tien van mijn collega’s naar hun gedachten over de Volkskrant gevraagd, speciaal met het oog op berichtgeving en opinie over religie en levensbeschouwing, allen bezig met sociaal-wetenschappelijk en cultuurfilosofisch onderzoek naar religie, sommigen ‘gelovig’, sommigen niet.

Geen van hen bleek de Volkskrant regelmatig te lezen. Maar ze hadden allen wél zeer krachtige meningen over uw krant. Vrijwel allen wisten dat de krant ergens in de jaren ’90 een links-getuigende, op progressieve ‘actie’ en ‘de onderkant’ gerichte oriëntatie, ingewisseld heeft voor onder andere meer infotainment, human interest, populaire cultuur, en, in de lijn van de paarse tijd, voor een ietwat onduidelijke politieke positie.

Uit het proefschrift van Sierk Ybema haal ik een opinie van een Volkskrant-columnist, eind jaren ’90. Deze colunmist – Ybema noemt hier geen naam – ergert zich nog steeds aan – citaat! - dat ‘rare ondertoontje’ wanneer het over populaire cultuur gaat. Maar hij is verder positief, en meent dat de Volkskrant bezig is om af te leren ironisch, afzeikend en badinerend in toonzetting te zijn, en aan te leren geestig, lucide en afstandelijk te worden (Ybema 2003, 145).

Welnu, al mijn ‘respondenten’ waren van mening dat het progressivisme, de ironische of afzeikende of badinerende toonzetting níet verdwenen zijn wanneer het om religie gaat. Twee meenden te weten dat de krant, net als de media die we niet tot de kwaliteitsmedia rekenen, vooral belangstelling zou hebben voor de sensationele, de wilde, soms gewelddadige kanten van religie – bijvoorbeeld voor ‘absurde geloofsopvattingen van prelaten en presidenten’. ‘Dát – citaat! – zie je zelfs in de opmaak – behoorlijk vette koppen, vetter en groter dan bij Trouw en NRC,  kortere teksten ook, veel kaders en grote, toegegeven, vaak mooie foto’s en illustraties, zie vooral het Magazine, kortom de Telegraaf voor HBO-intellectuelen’. U hoort het, een ietwat elitair geluid!

 

Voordat u nu kwaad wordt: ik kan niet bevestigen wat mijn ‘respondenten’ zeggen. Sterker nog, mijn kennis van sommige Volkskrantteksten, onder andere de boekjes ‘God in Nederland’ van – meen ik – Martin Schouten, en ‘Geloofsartikelen’ van Sander van Walsum en Janny Groen, columns van Kees Fens, besprekingen van Gert J. Peelen in Cicero, weerspreken hun mening. En de paar dagen ‘Volkskrant-scannen’ die ik net achter de rug heb, brachten me slechts bij één column – van Barber van der Pol – waarin op de gebruikelijk ironische manier kerk en christelijk geloof afgedaan werden, maar waarin tegelijk de subjectief-esthetische kant van de religie, in dit geval koor en muziek in de kerk, positief neergezet werd. Dat is een typisch kenmerk van de ‘kousbroekiaanse’ intellectueel: de emotioneel ‘roerende’ kant van religieuze cultuur, in het bijzonder muziek, kan positief gewaardeerd worden, de inhoud wordt als onzinnig afgewezen. Een attitude overigens, die naar mijn indruk karakteristiek is voor de steeds ouder wordende, verlichte intellectueel. Dat is een attitude die altijd samengaat met dédain voor nieuwere vormen van religiositeit en moderne theologie: ‘echte’ religie zou oud en orthodox moeten zijn (en dus gemakkelijk afwijsbaar als overleefd).

 

Hier nog een terzijde. Joan Hemels boekje over journalistiek en religie bevat de suggestie dat de Volkskrantjournalistiek van oudsher een moeizame verhouding heeft tot religie. Zelfs in de tijd van de verzuiling zou ‘God’ in de krant uitbesteed worden aan theologen. Journalisten schreven daar ook tóen al niet over. En na 1965 zou er én alleen maar breuk met religie, kerk en traditie zijn, én geen erkenning van nieuwere ontwikkelingen als nieuwere Godsbeelden, nieuwere religiositeit e.d. (vgl. Hemels 1999, 30, 36). Als van dat laatste iets waar is, van uw moeizame verhouding met religie dus, dán is het de moeite waard om nog eens een enkel inzicht van Sierk Ybema te overdenken. Waar het over de koers van uw krant gaat, signaleert hij bij uw redactie twee vertogen/discoursen: één die op verandering gericht is en één op herwaardering van het relatief progressieve verleden. De omstandigheid echter dat vooral het eerste vertoog feitelijk een geschiedenis van een radicale breuk vooronderstelt, éérst de breuk met Rome en het katholieke geloof, dáárna, minder uitgesproken, maar wel degelijk reëel, de breuk met de ‘linkse’ oriëntatie, díe omstandigheid nu, lijkt me contraproductief in het nadenken over ‘de koers’. Uiteindelijk omdat, vooral ónder het veranderingsvertoog, het ‘linkse’ verleden blijft spoken, en daaronder misschien zelfs nog wel het religieuze verleden, namelijk als iets wat óf geheel weg gehouden moet worden óf hoogstens in radicaal andere vorm en inhoud toegelaten. Wanneer men echter zó over de koers denkt, vermoed ik dat men juist dan, wanneer men dus hoe dan ook het verleden níet terugwil, belast wordt met het verleden, namelijk in stilzwijgende ontkenning. Een mechanisme, dat des te aannemelijker is, wanneer de Volkskrantkenner die ik sprak het bij het juiste einde heeft met zijn vaststelling dat uw al heel lang niet meer katholieke blad tot op de dag van vandaag een opvallend hoog aantal redacteuren in dienst heeft, die men als tweede-of zelfs derde-generatie katholieke cultuurverlaters kan bestempelen, mensen bij wie om zo te zeggen de breuk en de afkeer van een eens starre religie geïnternaliseerd is.

Maar ik realiseer me dat ik te ver ga, en erger nog, dat ik al te speculatief word. Ik kom nog even terug bij de oordelen/vooroordelen van mijn ‘religiekenners’.

 

Twee punten heb ik hier. Het eerste is dat óók wanneer mijn collega’s ongelijk hebben, en de Volkskrant dus – nog een citaat van één van mijn respondenten – niet ‘zuinig, zurig en debunkend met religie om gaat’, de krant in ieder geval in het oog van deze, zeer kleine groep nog een imagoprobleempje heeft.

 

3. Overigens, alle begrip wanneer redactie en hoofdredactie dáár niet mee zitten. Maar er is in dit verband nog een tweede punt: het is niet onaannemelijk dat journalisten, samen met het merendeel van mijn collega’s sociale en politieke wetenschappers en vele andere verlicht-seculiere intellectuelen, een debunkende, reductionistische visie op religie hebben. Ik val u niet lastig met literatuur, maar de consensus dat juist ook journalisten gevoelig zijn voor de mythen van de secularisatiethese, is vermoedelijk niet geheel onjuist. Ik stip drie van die mythen aan.

 

3.1. De eerste is dat door modernisering, rationalisering, verwetenschappelijking e.d. religie gedoemd is te verdwijnen, zodat, waar er nog religie bestaat, deze een letterlijk ‘achterlijk’ verschijnsel zou moeten zijn. Godsdienstwetenschappelijk gezien is dit onjuist. Religies groeien overal in de wereld in omvang, juist ook christelijke religie, ook in moderniserende verhoudingen, behalve in W.Europa.

 

3.2. De tweede mythe is dat vóórdat de secularisering toesloeg, er een tijd van alom gepraktiseerde vroomheid en kerkelijkheid was. Die mythe verduistert ons zicht op de historische werkelijkheid. We zien bijvoorbeeld niet, dat de tijd van de verzuiling uitzonderlijk was, een tijd waarin geloof als het ware opgesloten was in kerken. Maar religie is doorgaans een veel fluïder verschijnsel, leeft ook buiten de kerken, in heel verschillende vormen en intensiteit. Wanneer we toch van de waarheid van deze mythe uitgaan, nemen we aan dat wáár er religie is, dáar dan ook kerk, priesters, hiërarchie, dogma etc. zijn. Waarbij we de fout maken dat wanneer die laatsten er niet zijn, kerk, priesters etc. dus, er ook geen religie zou zijn. Een grote fout.

 

3.3. De derde mythe is dat religie a- of irrationeel is. Ik zal u niet met argumenten vermoeien, alleen melden dat er een behoorlijke groep godsdienstsociologen is, die er van uitgaan dat mensen doorgaans streven naar beloningen voor hun handelen en naar het laag houden van de kosten die dat voor hen meebrengt. Daartoe zouden ze rationeel hun doelen en middelen kiezen. Dit zou juist ook voor religie en religieuze organisaties opgaan. Hun aantrekkelijkheid of onaantrekkelijkheid zouden markt-economisch benaderd kunnen worden. Mensen zouden omwille van ‘beloningen van religieuze aard’ (kan lopen van leven na de dood tot gevoelens van extase, of verbondenheid met God of natuur), ook omwille van beloningen van meer aardse aard (gemeenschapsgevoel bijvoorbeeld) voor een religie kiezen. Die keuze kan daarmee als een rationele keuze gezien worden. Eén recent voorbeeld. Een collega vertelde me over de Koraalspechtgevangenis. Daar zouden cursussen ‘christendom’ een groot succes zijn: kerkachtige bijeenkomsten, bijbellezingen e.d. zouden het erg goed doen (met dank aan Henri Geerts). Rational choice’-theoretici zouden hiervan smullen: duidelijk een rationele keuze voor religie, de beloning is op z’n minst een geestelijke ontsnapping aan de ellende van het gevangenisbestaan, en wellicht voorbereiding voor een beter bestaan daarbuiten (christenen, zo blijkt vaak, zijn, vooral in harde omstandigheden aan de onderkant van samenlevingen in de zogenaamde derde wereld, als werknemers – ook als huwelijkskandidaten – aantrekkelijker). Hoe dit ook zij, het is mogelijk religieuze keuzes wel degelijk als rationeel te zien. Ik zeg er wel bij dat dit niet betekent dat de inhoud van religieuze overtuigingen en van het religieuze gedrag daarmee geheel en al voortkomen uit/geproduceerd worden door rationele overwegingen. Maar dit was een terzijde.

 

Nu besef ik dat er over waarheid en onwaarheid van deze drie mythes wel nog het een en ander te bediscussiëren valt, juist ook met u. Mocht u in één of meer van de drie wel iets zien – zeg maar: religie is ‘achterlijk’, religieloosheid is losmaking uit starre verbanden, religie is irrationeel – dan ben ik niet geneigd u van uw opvattingen af te brengen. Wat ik echter van u vraag is wel om in te zien dat deze mythes, visies zo u wilt, verhinderen om de veelkleurigheid en, vooral ook de mondiaal gezien groei van religie te duiden, en ons er toe te verhouden. Deze visies bevorderen het streven naar kennis en inzicht uitdrukkelijk niet. Als men er bijvoorbeeld van overtuigd is dat religie niet spoort met moderne ontwikkelingen, letterlijk achterlijk is, heeft het geen nut om nog de verschillen tussen religies, de sociale en politieke betekenis, de aantrekkingskracht, en ook niet de mogelijk gevaarlijke of heilzame kanten ervan na te gaan.

 

4. Dit punt illustreer ik nog aan vier trends die ik op religieus gebied vandaag de dag waarneem. Wanneer ik daarmee klaar ben, zal ik dit praatje beëindigen met het noemen van een aantal onderwerpen die m.i. de aandacht van de krant verdienen.

 

4.1. Eén trend is dat er overal op de wereld, vooral in Afrika, Oost en Zuidoost Azië, Latijns-Amerika een nieuw soort christendom aan het groeien is, sterker nog dan de Islam. Dáár dus, níet in West Europa! In Afrika alleen al groeit dat christendom met 8,4 miljoen per jaar, waarvan 1,5 miljoen bekeerlingen (dus geen bevolkingsgroei). Het is een christendom dat moreel conservatief en religieus orthodox is, regelmatig ook eindtijdgelovig, sterk op de beleveniskant van religie gericht en charismatisch, maar ook pragmatheïstisch – term van o.a. Koert van der Velde. Dat laatste wil hier zeggen dat men in het oog van de buitenstaander van God een bruikbare God maakt, dienstbaar aan de wens naar gezondheid en welzijn, in het algemeen eerder een christendom dat doet denken aan de hoge Middeleeuwen dan het verburgerlijkte en verkerkelijkte christendom waaraan wij nog een herinnering hebben. Alleen al om deze reden is het juist wat Chris Keulemans pas schreef in het informatieblad van Buitenlandse Zaken (IS, dat is Internationale Samenwerking, okt. 2003, 30), namelijk dat wanner wij – hij bedoelt hoopopgeleide, seculiere westerlingen – níet onze blinde vlek voor religie ongedaan maken, we binnenkort geen antwoord meer hebben op een door godsdienst gedreven wereld. ‘Met de overtuiging dat een samenleving zonder God het uiteindelijk zal winnen’ – en voeg ik toe, met de overtuiging dat zo’n samenleving in alle gevallen beter is – ‘zetten we ons zelf buiten spel’. Het is tijd voor herzien van uitgangspunten, zegt Keulemans, met dank aan Edien Bartels.

 

4.2. De tweede trend betreft religieuze ontwikkelingen hier in West Europa. Die trend bestaat uit twee tendensen.

 

4.2.1. De eerste tendens is dat West Europa voor wat betreft het christendom gekenmerkt wordt door zogenaamde euroseculariteit. Gezien de net genoemde trend maakt het relevantieverlies van het christendom op alle niveaus (van staat, politiek en publiek domein tot individu) West Europa tot een mondiaal gezien letterlijk uitzonderlijk gebied. Even terzijde, hier wel een kanttekening. Secularisering van het christendom blijft doorgaan, maar opvallend is dat in de jaren ’90 de waardering van de Nederlanders voor christendom en geloof níet afgenomen is, ondanks doorgaande kerkverlating dus, ondanks ook vermoedelijk betekenisverlies (in kennis en relevantie) van het christelijk geloof voor het individu. Ofschoon sociologen steggelen over de vraag of die waardering meer is dan lippendienst, zou het kunnen dat Nederlanders behoefte houden aan de zichtbare presentie van de christelijke religie. Of het net door de NRC bevorderd onderzoek hier ook bij past, het onderzoek dat als uitkomst heeft dat Nederlanders dolgraag een kerk in hun dorp of wijk willen houden, durf ik niet te zeggen. Eén plausibele, ofschoon nogal abstracte verklaring hiervoor is, dat Nederlanders op één of andere manier een zichtbare uitdrukking willen houden van de herinnering aan de morele en culturele bronnen van, laat ik maar dat nare woord gebruiken, de Nederlandse natie (wat ook al één reden zou kunnen zijn, waarom men er meestal mordicus tegen is dat leegstaande kerkgebouwen definitief door moslims overgenomen worden!).

 

4.2.2. Betekent die euroseculariteit nu dat het uitzonderingsgebied ‘Nederland’ geheel geseculariseerd is?

 

Volgens veel jongere onderzoekers: absoluut niet! Het is volgens hen absurd om een land geseculariseerd te noemen, waarin slechts 5,9% zegt atheïst te zijn (EVS,  European Values Study: A Third Wave: Source Book of the 1999/2000 European Values Study Surveys, EVS/WORC?Tilburg University 2001, p. 81). Nederland lijkt qua betrokkenheid bij kerk en christendom wel één van de meest geseculariseerde landen van Europa, maar bijna 65% van de mensen noemt zichzelf een religieus persoon, 73% gelooft in een God of in een hogere macht, rond de 50% in een leven na de dood (en dat aantal groeit significant onder jongeren). Verder zegt meer dan 70% te bidden of te mediteren, meer dan 50% gelooft in telepathie (en de mogelijkheid van wonderen) en voorspellende dromen, en zo tussen minimaal de 20% en 25% in reïncarnatie. Het aantal mensen dat religieuze ervaringen zegt te hebben, is niet onderzocht, maar afgaande op onderzoek in de V.S. (meer dan de helft) mogen we verwachten dat het percentage aanzienlijk zal zijn. Onderzoek in Engeland – recent nog van de BBC – wijst uit dat zo tussen de 25% en 30 % van de mensen meent niet-religieus kerkgebonden, wel spiritueel te zijn. Een Engelse godsdienstwetenschapper, Paul Heelas, meent dat er onder die laatsten – het betreft voornamelijk leden van de generatie van de veertigers en de baby-boomers – zich een spirituele revolutie aan het voltrekken is, met o.a. geloof in het eigen, hogere of diepere zelf dat het contactorgaan is met spirituele power, geloof dat het niet aankomt op leer of kennis, maar op helende handelingen, geloof dat alle religies één diepere waarheid in vele gestalten verkondigen etc. etc.

 

4.2.3. Nu is het gebruikelijke bezwaar tegen de interpretatie dat Nederland niet seculier is, dat die vrij-zwevende, want niet-gebonden religiositeit sociaal gezien geen betekenis heeft: slechts een zeer klein aantal zou zó intensief bij die zogenaamde nieuwe religiositeit betrokken zijn dat ze zich verbinden met anderen, en dat hun religiositeit uitstraalt naar hun hele leven.

 

Mijn gevoel zegt me dat dit bezwaar hout zou kúnnen snijden. Maar mijn punt is – met dank aan André Droogers – óók dat er veel te weinig bekend is over die relatief grote groep, vrij-zwevende, religieuze medelanders (en juist hier, zou volgens mij niet alleen de wetenschap, maar ook de krant een rol kunnen spelen: wat is de betekenis, de uitstraling van hun private religiositeit?). In de sociaal-theoretische literatuur tref ik drie duidingen over hun gedrag.

 

4.2.3.1. De eerste, klassieke, al bij Max Weber te vinden duiding is, dat deze vrijzwevende religiositeit voor individuen troost biedt, of voor even compensatie, namelijk voor het leven in de ‘ijzeren kooi’, dat is voor het bestaan in zielloze sociale systemen.

 

4.2.3.2. De tweede varieert op de gedachte dat de emotiemaatschappij, de ‘Erlebnisgesellschaft’, mensen er toe aanzet in hun vrije tijd en privé-leven ook spirituele belevenissen te ondergaan: een sociaal gezien vrijwel betekenisloze vorm van reli-consumentisme.

 

4.3.2.3. De derde duiding is het meest interessant. Die is dat de doorsnee, licht ‘vernieuwetijdste’, dus op het ‘zelf’ gerichte spiritualiteit, bij uitstek mensen aanpast en inpast in de neoliberale moraal. De meest sprekende voorbeelden komen uit het onderzoek, bijvoorbeeld aan het Meertensinstituut, aan de VU, ook, in Denemarken en Engeland, naar de invloed van new-age achtige theorieën over self-empowerment in main stream management- en organisatietheorieën. We moeten niet onderschatten hoeveel new age – afgevlakt, dat wel – in de wereld van consultancy en IT al doorgedrongen is (door contact te maken met je diepere ‘zelf’ de power laten stromen die door het ‘team’ gaat. Ook niet onderschatten in welke mate het type denken dat management wil verbeteren door het laatste gebied te exploreren dat nog niet geëxploreerd is, namelijk de individuele spiritualiteit, de facto aansluit bij een wijze van denken die de persoon geheel en al voor het bedrijf, het team wil inzetten, hoe het eindeloze flexibiliteit bevordert, hoe het het denken in termen van winners en losers aanjaagt. Kortom, een ideaal veld voor kritisch verkenning, juist ook voor uw krant; met dank aan Kim Knibbe..

 

5. Over de twee volgende trends moet ik korter zijn. De derde trend betreft verschillende bewegingen onder jongeren.

 

5.1. Allereerst wordt in de V.S. een neiging gesignaleerd onder de baby busters (geboren tussen ’65 en ’83) om tegen de rebellen die hun ouders, de boomers, ooit waren, in opstand te komen, namelijk door niet met spiritualiteit en vaag religieus psycho-gebabbel in de weer te zijn, maar door uitdagend voor religieuze orthodoxie te kiezen. Of deze tendens zich in Nederland aftekent, weet ik niet, maar de mogelijkheid is niet uitgesloten, gezien het feit dat ook op religieus gebied de generaties en modes elkaar relatief snel opvolgen.

 

5.2. Vervolgens wordt er voor vooral pubers en adolescenten hier en daar de trend gesignaleerd om gevoelig te zijn voor de belevenis-achtige en charismatische kanten van oorspronkelijk redelijk orthodoxe religiositeit. O.a. de E.O-jongerendagen, maar er zijn in de evangelicale wereld ook kleinschaliger activiteiten, lijken daar hun succes aan te danken hebben. Eén van de vele vragen is die naar welk soort jongeren hierop afkomen: vooral jongeren met een relatief behoudend religieuze achtergrond of ook anderen?

 

5.3. En dan is er de trend zichtbaar onder jongeren naar belangstelling voor, zeg maar, de meer donkere marges van religie en spiritualiteit: de volgens sommigen nauwelijks nog ontdekte wereld van magie, gothic, fantasy, die op het eerste gezicht meer speels en spelend en ‘pragmatheïstisch’ dan schijnbaar of echt serieus ontdekt wordt. Het onderzoek staat hier nog in de kinderschoenen. De krant kán, juist wanneer ze in het alledaagse leven wil duiken met herkenbare items, hier via verkenning en informatie voorop lopen.

 

6. De laatste en vierde trend. Die betreft een toch wel andersoortige ontwikkeling dan bij de spirituele boomers en de orthodoxe, charismatische of gothic busters. Onder moslimjongeren in West Europa lijkt zich aan de ene kant wel degelijk een zekere secularisering af te spelen. En wel in drie opzichten: a) er is sprake van individualisering in de betekenis dat de meeste jongeren uitdrukkelijk hun keuze voor de Islam als een eigen individuele keuze zien – anders dan hun (voor)ouders; b) er lijkt zich een zekere instrumentalisering van de Islam af te tekenen: de Islam wordt als het ware gebruikt als een gedragscode, waarmee men zich onderscheidt, dus een sociale identiteit krijgt binnen de niet-islamistische omgeving (vooral de – uiterst geïndividualiseerde discussie over halal (wat moet) en haraam (wat niet mag) op sites voor jongeren is uiterst interessant); c) het zou kunnen dat kerkelijkheid/moskee-verbondenheid iets minder wordt, vergeleken met eerste en tweede generatie. Aan de andere kant echter is het duidelijk dat de Islam – als symbolisch geheel – van het grootste belang is voor de individuele en collectieve identiteitsvorming (en steeds belangrijker, naarmate wij, autochtonen, meer in termen van ‘achterlijkheid’ gaan denken). Dit alles: met dank aan Edien Bartels en Martijn de Koning.

 

7. Ik eindig, heel pedant, met enkele adviezen over zaken waarmee uw krant zich in de nabije bezig zou kúnnen houden. Met excuus bij voorbaat wanneer ik zaken aanstip waarvan u zegt: ‘maar dat doen wel al lang’ of ‘dat hebben we al gedaan’. Dan speelt mijn gebrek aan kennis van uw krant. Sommige punten zijn afgeleid van wat ik zojuist verteld heb, andere zijn nieuw.

 

7.1. Allereerst een advies over toonzetting: schrijf nooit debunkend of badinerend, want feitelijk hoogmoedig over religie; met dank aan Gert Peelen. En voor de verstokte religiekritici onder u: wanneer het om religie gaat, is begrip altijd het scherpste wapen. Wanneer we bijvoorbeeld begrijpen dat vele vormen van fundamentalisme wezenlijk geen oplevingen van radicaal-orthodoxe religies zijn, maar uiterst moderne vormen van religie, of dat fundamentalisme ook kan opkomen uit reacties op falende staten of – in de V.S. – op een doorgeslagen consumentistische cultuur, dan doen we én meer recht aan hen én hebben we meer verfijnde wapens om de gevaren – maar ook kansen te zien. Voor wat betreft die kansen: in een relatief recente studie wordt aangegeven dat in Noord Afrikaanse Arabische staten juist onder zogenaamde fundamentalisten/islamisten ngo’s ontstaan. Meer inzicht en begrip zijn hier nodig. Begrip als wapen ontstaat niet, wanneer we van tevoren al weten dat het om een achterlijk verschijnsel gaat.

 

7.2. Meer aandacht voor de groei van christendom elders. Bijvoorbeeld: megakerken in Zuid Korea (hoe werken die, waarom hebben ze succes, wat is hun invloed), independent churches in Ghana en ... De Bijlmer, want het nieuwe christendom is ook hier.

 

7.3. Aandacht voor de ‘vernieuwetijdsing’ van het management- en organisatiedenken: wat gebeurt er op spiritualiteitsgebied in de consultancy? Welke zijn de opvattingen van topmensen?

 

Eén voorbeeld. In ‘Economie’ van afgelopen zaterdag stond een interview met Herman Wijffels (over inperking van inkomenssteun). Niets op aan te merken. Wijffels heeft echter ook behoorlijk uitgesproken levensbeschouwelijke en religieuze ideeën over de waardigheid van de individuele mens, licht holistische – dus altijd te wantrouwen - ideeën over samenhang van individuen met elkaar, met verbondenheid met natuur etc. Anders gezegd: doe dat ook, of vaker: probeer bij dit soort mensen de relatie tussen hun ‘diepere’ visies én hun werk te belichten (met dank aan Henri Geerts). Uitgelezen kans om op nieuwe manier kritisch te zijn.

 

7.4. Meer uitdrukkelijke aandacht voor activiteiten als magie, gebed, gothic, fantasy e.d. in de leefwereld en activiteiten van jongeren.

 

7.5. Meer verkenning van ‘nieuwe religiositeit’ van de wat oudere generaties.

Ideetje: hoe worden religie en religiositeit ‘georganiseerd’ in een groeiende vinexlocatie: ontstaan daar kerken – Nederlanders willen wel graag een kerkgebouw? Zo ja, wat doen ze in de kerken, hebben ze echt betekenis voor de wijk? Ontstaat er nieuwe religiositeit? Als u ‘namen’ wilt van deskundigen, dan geef ik u ze graag, voor dit en andere onderwerpen; met dank aan Marten van der Meulen.

 

7.6. Zou uw krant meer aandacht moeten besteden aan kerken en kerkelijk nieuws? Ik denk het niet. Zou u dat wel willen doen, dan is het misschien een ideetje om u eens niet te vergelijken met bijvoorbeeld Trouw, maar naar het buitenland te kijken. Misschien is het wat om eens bijvoorbeeld de correspondent voor religieuze zaken van de NY T, Gustav Niebuhr over te laten vliegen. Eén van mijn ‘respondenten’ meldde me dat de man goede dingen te zeggen heeft over religie in een geseculariseerd medium; met dank aan Jan Boersma.

 

Persoonlijk ben ik op dit punt van mening dat bijvoorbeeld de bisschoppen, vooral kardinaal Simonis, lievelingsbisschop Muskens, en de ongewoon ijdele ex-bisschop Bär, veel ruimte krijgen in de media, te veel. Wel vermoed ik dat de katholieke kerk als machtsbolwerk te weinig belicht wordt. Ook uw krant lijkt dat de laatste jaren niet graag te doen. Het zou me niet verbazen dat de kritiek – als bijvoorbeeld in Barend en Van Dorp wanneer daar een heel enkele keer een kerkelijke of religieuze figuur aanschuift – tot meer of minder vileine lacherigheid beperkt wordt, afhankelijk van hoe sympathiek men de man of vrouw vindt. Zo beweerde één van mijn ‘respondenten’ dat de NRC wel redelijk uitgebreid is ingegaan op de bagatellisering van sexueel misbruik in de kerk, de Volkskrant en Trouw niet? Waarom niet? (met dank aan Kim Knibbe).

 

7.7. Wat wel zou moeten, maar heel moeilijk is, is dat uw krant – ik heb dit punt niet aangehaald – zou moeten proberen óók in te gaan op wat je de religieuze onderstroom in cultuur en politiek zou kunnen noemen. Dus niet: nog meer een dag uit het leven van een bisschop, een plaatje van de Dalai Lama, foto’s van kecke hoofddoekjes of burka’s – op zich niets tegen – maar bijvoorbeeld á la John Gray de religieuze ondertoon in de zogenaamde strijd met Al-Qaida belichten. Daarbij maakt men gemakkelijk de fout om ervan uit te gaan dat bijvoorbeeld de visies en motivaties van Bush verklaart uit het feit dat hij een redelijk conservatieve christen geworden is. Dat verband ligt er echter niet, althans is niet rechtstreeks te leggen! Wat wel aan te duiden is, is dat de zogenaamde war on terrorism aan beide kanten quasi-religieuze hoop en machtsutopie een rol spelen (ook aan de kant van de 11 september terroristen; zie verder Joh Gray, Al-Qaida en de moderne tijd, Ambo 2003).

            Een andere mogelijkheid is om bijvoorbeeld quasi-religieuze momenten in stadions en op tribunes te belichten, zoals Tim Parks dat soms doet in z’n magistrale boek over een jaar Hellas Verona. Ik realiseer me dat dit al vaker gebeurd is. Ook is dit moeilijk omdat men al te gauw in gemakkelijke clichés vervalt.

 

7.8. Eén van de belangrijkste taken – van alle media – op dit moment is m.i. om de ontwikkelingen onder moslimjongeren te peilen, en dat, ten eerste  in vergelijking met de situatie in andere landen (het artikel van Fokke Obbema in de krant van zaterdag 26 okt. 2003 geeft daar m.i. ook aanleiding toe), ten tweede met gevoel voor de verschillen die er alleen al in Nederland tussen moslims en moskeeën zijn. Bijvoorbeeld met aandacht voor Soefi’s en Alevieten (de laatsten hebben geen moskeeën). Een mogelijkheid is ook om behulpzaam te zijn bij het ontstaan van nieuws. Neem de Ramadan: wat zit er achter dat Marokkaanse moskeeën zich bij de vaststelling van de juiste datum op Marokko oriënteerden, nu op Saoedi-Arabié? Wat zijn de verschillen tussen Marokkaanse, Turkse en Surinaamse moskeeën? Laat ze discussiëren! Als het kan geen officiële vertegenwoordigers; met dank aan Martijn de Koning.

 

7.9. Tot slot nog twee ideetjes.

 

Het eerste: wat te denken van een debatje tussen redacteuren en lezers  – in het echt en op schrift, in ‘Media’ bijvoorbeeld, als vorm van zelden door een redactie vertoonde zelfreflectie – over de toch wat moeizame verhouding van de krant tot religie en levensbeschouwing? Als gezegd: al voor 1965 werden die ‘uitbesteed’, daarna verdwenen ze onder ‘links’ enthousiasme, maar wellicht waren ze nog wel als ‘spoken’ present. Met als onderliggende vraag: moeten ze – niet terug, want ze,  religie en levensbeschouwing dus, zijn er de facto nooit écht geweest – uitdrukkelijk in de krant? (met dank aan Sierk Ybema).

 

Het tweede ideetje: wil de krant op het gebied van religie en levensbeschouwing een duidelijker profiel krijgen, dan zou m.i. een columnist van grote kwaliteit geen kwaad doen. Regelmaat en een vaste plaats! De krant heeft lang geleden bijvoorbeeld Han Fortmann gehad. Het zou nu een columnist moeten zijn met een scherp gevoel voor de religieuze onderstromen in onze cultuur, niet al te veel op de kerken georiënteerd, meer op ‘de’ cultuur. Als die zo direct niet te vinden is, zou er één opgeleid moeten worden (met dank aan Henri Geerts).