Religie, Identiteit en Civil Society in
multidisciplinair perspectief
Het doel van deze bijzondere leerstoel is tweevoudig. Ten eerste het uitvoeren en bevorderen van onderzoek naar verbanden tussen religie aan de ene kant en processen van vorming van identiteit en Civil Society aan de andere kant, ten tweede het geven van inzicht in deze verbanden door middel van onderwijs.
Dit doel wordt via deze leerstoel op de volgende wijze gespecificeerd. Ten eerste zullen de zojuist genoemde verbanden in onderzoek en onderwijs aan de orde komen door concentratie op de betekenis die processen van religieuze verandering in onze cultuur én processen van individuele en collectieve identiteitsvorming voor elkaar hebben. Ten tweede zal er in onderzoek en onderwijs naar gestreefd worden om met behulp van meerdere disciplinaire perspectieven de genoemde betekenis te belichten. Hierbij zullen sociaal-wetenschappelijke perspectieven én, waar dat mogelijk en noodzakelijk is, ook theologische, filosofische en ethische perspectieven benut worden.
Het inhoudelijk doel dat de bijzondere leerstoel zich stelt, vloeit voort uit een tweetal vooronderstellingen en een grondgedachte.
3.1. De eerste vooronderstelling is dat religies, christelijke en niet-christelijke, deel uitmaken van de sociaal-culturele werkelijkheid.
3.2. De tweede vooronderstelling is dat de studie van de onmiskenbare veranderingen waaraan alle religie in de moderne tijd onderhevig is, en welke religies op hun beurt ook zelf bewerkstelligen, een signalerende werking kan hebben bij het begrijpen van sociaal-culturele veranderingen. Aandacht voor de veranderende werkingen en functies van religie binnen de sociaal-culturele werkelijkheid als geheel, draagt bij aan het aanscherpen van de waarneming van tendensen en spanningen binnen die sociaal-culturele werkelijkheid.
3.3. Grondgedachte is dat veranderingen die de
religie, in het bijzonder de christelijke religie, in de moderne tijd ondergaat
en op haar beurt bewerkstelligt, zich in geconcentreerde vorm manifesteren in
veranderingen in de vorming van de
identiteit van individuen, associaties en organisaties, en in de sfeer van de
Civil Society.
Toelichting bij deze grondgedachte
a) De veranderingen die religie als sociaal-cultureel verschijnsel ondergaat, kunnen gevat worden onder het begrip secularisering: betekenisverlies van religie voor individu, cultuur en samenleving in een continu moderniserende en globaliserende context; althans: binnen de Westerse, in het bijzonder de Europese cultuur. Aan te nemen is overigens dat secularisering niet alleen de christelijke religie doet veranderen, maar alle religies die zich binnen de invloedssfeer daarvan bevinden, inclusief de Islam. Zelfs fundamentalistische bewegingen in de religies zijn, hoewel ze zich afficheren als bewegingen die afscheid nemen van secularisering, toch door secularisering getekend.
b) Secularisering bewerkt niet slechts veranderingen in de vorming, ervaring en interpretatie van religieuze identiteit op individueel en collectief niveau, dus niet slechts veranderingen binnen de sfeer van religie zelf, in het bijzonder de christelijke religie, maar scherpt de problematiek van identiteitsvorming in het algemeen aan. De aanname is hier, dat in een sociaal-culturele werkelijkheid waarbinnen religie ooit plausibel was, identiteitsvorming min of meer vanzelfsprekend verliep. Toegepast op de christelijke religie in Nederland kan men zeggen dat waar deze tot in de jaren 50 sociaal-cultureel dominant was en de mogelijkheid van een christelijke duiding van de werkelijkheid relatief breed werd aanvaard, de vorming van identiteit globaal gesproken níet als een problematische opdracht ervaren werd. Het gegeven dat de mens beeld van de onzichtbare God was bijvoorbeeld, en dat sociale verbanden ook religieus ondersteund konden worden, schiep mede het basisvertrouwen in de mogelijkheid van de wording van identiteit op individueel en collectief niveau. Met het culturele plausibiliteitsverlies van alle religie geraakt echter alle identiteit in crisis, is zelfs al het noemen van de term identiteit vaak een aanduiding van een crisis in dat basisvertrouwen.
Uiteraard is de crisis die aangegeven wordt met het begrip identiteit zeker niet alleen gegeven met het cultureel plausibiliteitsverlies van religie. Er spelen meer factoren een rol, factoren van onder andere sociale en psychologische aard als differentiëring en individualisering. Een taak van de bijzondere leerstoel is in deze onder meer de wederzijdse relaties tussen de religieuze en de sociale en psychologische factoren te onderzoeken.
c) De gedachte is voorts, dat secularisering, opgevat als betekenisverlies van religie op structureel niveau, paradoxaal genoeg op empirisch, sociaal-cultureel niveau de behoefte aan religie en religiositeit juist doet toenemen. Dat is in het bijzonder het geval waar het ten eerste de identiteitsvorming van het individuele zelf betreft, ten tweede waar de gestaltegeving van sociaal-culturele gemeenschapsvormen op het vlak van de Civil Society in het geding is, en ten derde waar de discussie over de normatieve fundamenten en de cohesie van de samenleving als geheel gevoerd wordt. Anders gezegd: juist dóór de secularisering is er een tendens bespeurbaar om religie en religiositeit te verbinden met de vraag hoe personen tot de identiteitskern van hun zelf kunnen of moeten komen, welke plaats en functie meer of minder religieus geïnspireerde groepen en gemeenschappen in de Civil Society kunnen of moeten hebben en welk soort normatief handelen daarbij past, alsmede welke algemeen funderende of doel-georiënteerde functies religie en religiositeit al of niet (zouden moeten) hebben.
Overigens, voor de begrippen persoonlijke identiteit en Civil Society gelden hier de volgende omschrijvingen.
Persoonlijke identiteit verwijst primair naar het altijd sociaal-cultureel bemiddelde proces waarin een individu zijn of haar vermogens ontwikkelt (dan wel beperkt) om een uniek en onderscheiden knooppunt te zijn in netwerken van interactie en communicatie.
Civil Society verwijst naar de sfeer van vrijwillige, private associaties van velerlei aard. Het betreft associaties waarbinnen en van waaruit men niet exclusief doelrationeel op eigen belang gericht is, maar waarbinnen en van waaruit men ook op bredere belangen van anderen gericht is. Als zodanig duidt Civil Society in beginsel de intermediaire sfeer aan die gelegen is tussen de sfeer van de politiek en het openbaar bestuur aan de ene kant en de sfeer van de markt aan de andere kant. Het is echter mogelijk dat dimensies van het handelen van de Civil Society kunnen overlappen met de twee genoemde sferen.
Voor wat betreft het begrip religie zij nog opgemerkt, dat de bijzondere leerstoel zich zal concentreren op de studie van veranderingen in de christelijke religie binnen een Westerse, sociaal-culturele context, alsmede op de relatief nieuwe verschijningsvormen van religiositeit binnen en buiten de christelijke religie in die context (bijvoorbeeld zogenaamde nieuwe religieuze bewegingen en sterk geïndividualiseerde uitingen van religiositeit) . Voorzover echter de veranderingen die de christelijke religie ondergaat, van meer algemeen culturele en sociale aard zijn, en deze ook veranderingen in andere religies, als de Islam, bewerkstelligt, zal de vergelijking met in het bijzonder de Islam in een westerse context ook in de studie betrokken worden.
4. Algemene overwegingen bij het perspectief van de bijzondere leerstoel
4.1. De
houder van de bijzondere leerstoel zal in beginsel niet zelf empirisch
onderzoek verrichten, maar zal door middel van literatuuronderzoek op het
gebied van de sociale wetenschappen, de theologie en de filosofie, op
sociaal-theoretisch niveau verbanden proberen te leggen.
4.2. De inzet is de uitwerking van een, waar mogelijk,
multi-disciplinair perspectief op sociaal-wetenschappelijke vraagstukken rond
de betekenis van religie voor met name identiteitsvorming op individueel en
collectief niveau en voor de vorming, instandhouding dan wel afbraak van Civil
Society.
Globaal gezien is er in de benadering van religieuze
verschijnselen een onderscheid te maken tussen sociaal-wetenschappelijke,
godsdienstwetenschappelijke en filosofisch-theologische benaderingen. Het
perspectief dat deze bijzondere leerstoel hanteert, is gebouwd op de
verwachting dat deze benaderingen elkaar niet noodzakelijkerwijs uitsluiten,
maar profijt van elkaar kunnen hebben.
In de keuze voor een in beginsel multi-disciplinaire
aanpak ligt besloten, dat studenten en onderzoekers in de sociale wetenschappen
via deze bijzondere leerstoel geconfronteerd worden met de mogelijkheid dat de
verdiscontering van theologische en godsdienstwetenschappelijke perspectieven,
zal leiden tot een verdieping van hun onderzoek en tot het opzetten van nieuw
empirisch onderzoek. Het is in Nederland gebruikelijk dat sociale
wetenschappers vertegenwoordigd zijn aan theologische, soms ook aan wijsgerige
faculteiten. Met de instelling van deze bijzondere leerstoel gebeurt het
omgekeerde, en worden er ook vanuit theologische en wijsgerige achtergronden
vragen voor de sociale wetenschappen geformuleerd, vragen die als inzet hebben
juist het sociaal-wetenschappelijk onderzoek naar religie in de hedendaagse
cultuur te stimuleren.
Een belangrijke taak van deze bijzondere leerstoel is het aangeven van de vruchtbaarheid en waarde van een brede, het specialisme overstijgende, multidisciplinaire benadering. De leerstoel maakt daarbij multidisciplinariteit niet zelf tot object van fundamenteel onderzoek. Inzet is om te laten zien dat multidiscipliniariteit kan werken, en dat het rekening houden met meerdere perspectieven, ook religieuze en theologische perspectieven, extra dimensies aan het bedrijven van sociale wetenschap kan geven. Daarbij kunnen uiteraard fundamentele vragen niet per se vermeden worden bijvoorbeeld in verband met vragen aan sommige sociaal-wetenschappelijke benaderingen rond functionalisme of reductionisme of in verband met vragen aan (cultuur)filosofie en theologie rond de blindheid voor geld, macht, belang of status.
5. Focus van onderzoek en onderwijs van de bijzondere leerstoel
De bovengenoemde overwegingen bij 3 en 4 brengen met zich mee dat de bijzondere leerstoel zich richt op de studie, en op de bevordering van de studie, naar drie soorten verbanden tussen de sociaal-culturele werkelijkheid als geheel en de religie als een deel van dat geheel. Die verbanden kunnen onderscheiden naar het niveau waarop ze bestaan: het individueel-persoonlijke microniveau, het institutionele mesoniveau én het algemeen cultureel-maatschappelijke macroniveau.
Op het microniveau wordt met name de aandacht gericht op kwesties rond persoonlijke identiteitsvorming en de betekenis van religie daarvoor. Waar dat geboden en mogelijk is zal gebruik gemaakt moeten worden van theorieën en onderzoeksresultaten uit de psychologie en de theologie.
Op het mesoniveau wordt met name de aandacht gericht op kwesties rond de betekenis van religie in West Europa voor de Civil Society, inzonderheid in Nederland, alsmede op de betekenis van religie in de vorming, instandhouding of verval van instituties en organisaties als universiteiten, ideële organisaties en mogelijkerwijs private instellingen. Waar dat geboden en mogelijk is zal gebruik gemaakt moeten worden van theorieën en onderzoeksresultaten uit de sociologie en de politicologie.
Op het macroniveau wordt met name de aandacht gericht op ten eerste de bronnen van nieuwe religiositeit, ten tweede op de betekenis van religie en religiositeit in de multiculturele samenleving, ten derde op de vraag naar de betekenis van religie voor de cohesie van westerse samenlevingsvormen, bij voorkeur via de aandacht voor de relatie tussen religie en geweld. Waar dat geboden en mogelijk zal gebruikt gemaakt moeten worden van theorieën en onderzoeksresultaten uit de sociale wetenschappen, de filosofie, de culturele antropologie en de theologie.
Bij de behandeling van de onderscheiden kwesties op deze drie niveaus zullen de relaties tussen de niveaus waar mogelijk belicht worden.
N.B. Uiteraard zullen in de concrete onderzoekspraktijk en in het concrete onderwijs niet alle verbanden tegelijkertijd en even intensief bestudeerd kunnen worden. De accenten die gelegd zullen worden, worden mede bepaald door de vraag van de omstandigheden. Bovendien zal, als reeds aangegeven, de taak van de leerstoelhouder ook zijn om onderzoek van anderen te bevorderen. Dat geldt in het bijzonder voor het onderzoek dat, verricht door een vanuit de universiteit gefinancierde aio, door de houder van de bijzondere leerstoel begeleid zal gaan worden.
6. De leeropdracht van de bijzondere leerstoel
De ontwikkeling van een multidisciplinair perspectief op de relaties tussen religie, identiteit en Civil Society.