Over het alledaagse kwaad

Of: Om een besef te krijgen van het kwaad, is het niet in de eerste plaats nodig om boeken te lezen en documentaires te kijken over Auschwitz, de Goelag, Rwanda, Bosnië en andere gruwelen, maar moeten we in het alledaagse leven naar onszelf én om ons heen kijken (ofschoon het lezen en nadenken over het alledaagse leven tijdens die grote gruwelen wel kan helpen om onze blik te scherpen)

 

Anton van Harskamp (Vrije Universiteit Amsterdam)

 

Het kwaad: is dat niet een gedateerd begrip, een begrip dat hoorde bij een tijd waarin het geloof in God nog voor bijna alle mensen vanzelfsprekend was? Immers, dat begrip, ook het denken in termen van de personificaties ervan, aan duivels, heksen en demonen dus, is toch alleen maar mogelijk tegen de achtergrond van het geloof in een alles overkoepelend goede kracht, kortom, in deze westerse cultuur, tegen de achtergrond van het geloof in Gods goedheid en liefde? En al of niet ondersteund door het geloof in de goede Heer Jezus, in Maria, in engelen en andere goede machten?

            Jazeker is het kwaad zo'n gedateerd begrip, stammend uit een tijd die onversneden religieus was of meende te zijn. En toch, zo beweer ik hier, blijkt het kwaad ook voor mensen die niet, of niet meer onversneden religieus zijn, een realiteitswaarde te hebben. Wat voor waarde is dat? Bij het antwoord moet ik een vervelend, want pretentieus en naar woord gebruiken. Het kwaad: dat woord staat volgens mij voor één van de gestalten van 'het mysterie' van het bestaan, voor een gebeuren, zo kunnen we bij niet-gelovigen als de filosoof Safranski of de psycho-analyticus Guatarri lezen, dat geen duidelijke oorzaak heeft, geen precies begin, geen centrum, geen orde, zelfs geen einde heeft, kortom iets dat geen substantie heeft, maar dat toch op één andere manier chaotisch voortwoekert, plannen in de war schopt en mensen beschadigt. Het kwaad is, kort gezegd, iets dat geen wezen heeft, geen bestaan, en dat toch wérkt.

 

Dat klinkt vaag genoeg, nietwaar? Kwaad als datgene wat een gestalte van het mysterie in het bestaan is, en daarmee uiteindelijk de grens aangeeft van wat wij kunnen begrijpen of kunnen sturen, of beïnvloeden. Laat ik daarom proberen iets concreter te worden, en mijn gedachte wat verder uit werken. Dat ga ik doen door nu eerst te verdedigen dat, om een besef van dat kwaad als mysterie te krijgen, het niet nodig is om boeken te lezen en documentaires te bekijken over Auschwitz, Goelag, Rwanda, Bosnië en andere gruwelen, alle evidente uitingen van het grote kwaad, maar dat we eerst 'gewoon' om ons heen en naar onszelf zouden moeten kijken. En daarmee maak ik om te beginnen gebruik, schrik niet, van een verhaal van zo ongeveer 1630 jaar geleden. Het is een tekst van Augustinus, die man die wel de calvinist onder de kerkvaders genoemd wordt, maar die ondanks z'n doctrinaire hardheid en onverdraagzaamheid regelmatig een diep inzicht in en bewogenheid met menselijke drijfveren had.

            Het is een verhaal uit zijn Confessiones/Belijdenissen (boek 2, 9-18). Het gaat over een perendiefstal die hij samen met een aantal andere tieners op een nacht pleegde, na, zoals gewoon was, uren met elkaar op straat rondgehangen te hebben. In de tekst stelt hij zichzelf eigenlijk maar één vraag: waarom dééd ik dat eigenlijk toen? Waarom deed ik mee aan wat op het eerste gezicht een redelijk onschuldige kwajongensstreek was? Maar was het wel een kwajongensstreek? Op de keper beschouwd niet, volgens Augustinus. Want wat was het geval? De peren die hij met zijn vrienden stal, smaakten niet bijzonder lekker, ze zagen er niet echt goed uit, bij hem thuis hadden ze lekkerder peren. Ze gooiden de gestolen vruchten dan ook direct weer weg. Bovendien blijkt uit het verhaal dat ze als jongens ook geen afkeer hadden van of haat koesterden tegen de bezitter van de boom, ze waren nooit door hem beledigd, geschaad of bedreigd, het was 'zomaar' iemand, in wie geen enkele aanleiding te vinden was om hem te schaden, en tóch deden ze het. En dan komt Augustinus tot een overweging over het kwaad als zodanig. Hij geeft aan, dat het zogenaamde grote, het evidente kwaad, van moord, grootschalige wreedheid en roverij heel vaak een oorzaak en vooral een doel heeft buiten dat berokkenen van het kwaad zelf! Hij noemt bijvoorbeeld Catilina, de opstandeling en moordenaar, symbool van slechtheid in het Romeinse rijk, en zijn punt is: in de grond van de zaak hadden Catilina en al die andere grote moordenaars, dieven en rovers altijd een motief en een doel om te moorden en te stelen. Uiteindelijk was dat, let op, om van het kwaad als zodanig af te komen. Ze wilden welvarend gaan leven, weer rust krijgen, of ze wilden een belediging wreken, een krenking van hun waardigheid. Ze wilden, anders gezegd, hun wereld, die om wat voor reden dan ook diepgaand verstoord was, herstellen, letterlijk 'goed' maken. Maar daarmee gaven ze in zekere zin toch toe aan de neiging om uiteindelijk het goede te doen. In die zin had het kwaad dat ze verrichtten voor hen een zin. We kunnen zelfs zeggen dat het kwaad als mysterie hiermee voor een belangrijk deel wegverklaard wordt, zodat Augustinus ongeweten een stap doet in de richting van al die hedendaagse psychologen, biologen en sociologen die erin slagen het kwaad als mysterie ook weg te verklaren, door naar een treurige opvoeding, kwetsingen en frustraties te wijze, of naar genetische defecten, of  naar 'de' boze, onderdrukkende maatschappij. Maar precies dát, dat wegverklaren lukt niet wanneer het om zo'n onbenullige, alledaagse perendiefstal van een stel jongens gaat: er was niets in de opvoeding van die jongens, niets in de persoon van de perenboomeigenaar, ze kenden hem niet eens, er was geen onderdrukkende samenleving - integendeel, ze konden zonder bezwaar de hele avond en nacht zomaar buiten rondhangen. Nee, de enige 'verklaring' was, dat ze het kwaad verrichtten omwille van het kwaad zelf. En in de grond van de zaak is dat wel een verklaring van de daad, maar zeker niet een verklaring van het motief erachter, van, om zo te zeggen, het kwaad zelf: waarom dat er werkt, waarom die jongens dat deden, daar staat het verstand letterlijk bij stil, ook bij Augustinus, die zo zegt hij maar ophoudt met verder zoeken, omdat hij in de knoop raakt.

Zo zien we dat juist een alledaagse, schijnbaar onbenullig, nauwelijks echt 'kwaad' te noemen gebeurtenis, meer kan zeggen over het mysterie dat kwaad is, dan het zogenaamde grote kwaad.

 

Augustinus geeft overigens nog een belangrijke aanwijzing, niet zozeer over het onstaan van het kwaad - dat dus bestaat in het schaden van anderen, het aantasten van diens waardigheid, bezit en integriteit - maar wel over, duur gezegd, de sociale samenhang waarin het kwaad vaak staat. En dat gebeurt, wanneer hij vaststelt dat hij vast en zeker die perendiefstal nooit in z'n eentje had gepleegd. Hij deed het toen alleen als lid van een groep, een groep waarin, denk aan zo'n groep van rondhangende jongens, zeer waarschijnlijk het gesnoef, het geklets, het gezwets, kortom praatjes een belangrijke manier van omgang met elkaar kunnen zijn. Precies dat, die nauwe, benauwende groep én het gezwets daarbinnen, die blijken een bedding te zijn die het kwaad, let wel, niet veroorzaakt of voor ons verklaart, maar misschien wel bevordert.

En dat brengt me bij een andere filosoof, één die ons, redelijke en beschaafde mensen, nog meer verdacht in de oren klinkt dan Augustinus: Heidegger. Het is niet anders. Deze Heidegger was wel het tegendeel van een moralist, van iemand die zich ongerust maakt over het kwaad. Toch noemt hij ergens een sociaal verschijnsel dat wij gerust één van de grondvormen van het alledaagse kwaad kunnen noemen: het is het geklets en gezwets, het 'Gerede', het praten over dingen en vooral mensen zonder dat men echt persoonlijk kennis heeft genomen van die dingen en mensen. Het is een wijze van taalgebruik, waarin wij niet van onze onmiddellijke kennis van de anderen uitgaan, maar waarin het lijkt of de taal zelf ons in de greep heeft, of de taal zichzelf om zo te zeggen spreekt. In die sfeer passen dan ook zaken, denk bijvoorbeeld aan de sfeer op het werk, als zomaar opkomende jalouzie, het terloopse, achtebakse fluisteren, de ongeremde ambitie, kortom het altijd letterlijk on-nadenkende, niet-bewust bedoelde, 'zomaar' kletsen dat ondertussen zo vaak mensen schaadt, bang maakt. Zodat ze óf zich terugtrekken óf zelf mee gaan doen aan dat eindeloze, letterlijk wezen-loze geklets. Precies dat is een gunstige bedding voor het kwaad, het kwaad, dat zagen we al, waarvan we kunnen zeggen dat het juist zo mysterieus is omdat het zelf geen wezen, geen substantie heeft.

 

Overigens, boeken en studies over het zogenaamde grote kwaad kunnen ons wel meer inzicht geven in de voorwaarden waaronder gewone, alledaagse handelingen en alledaagse praatjes, toch ongemerkt en ongewild in dat grote, afschuwelijke kwaad verwikkeld raken. Het gaat dan dus om de condities waarbinnen het kwaad z'n gang gaat, niet om preciese verklaringen van het kwaad. Ik concentreer me nu op de gebeurtenissen tijdens de zogenaamde holocaust of Shoah.

            Denken we eens aan de letterlijk miljoenen mensen die op één of andere manier daatbij betrokken waren. Ik doel niet op de uitvoerders, dus op de bedenkers, de uitvoerders, bewakers, beulen, schrijftafelmoordenaars, ook niet op de zogenaamde omstanders, maar op al die anderen: de postbodes die, soms, deportatiebevelen rondbrachten, de notarissen die bezittingen registreerden, de gemeenteambtenaren, juristen en bankiers die de sluiting van joodse bedrijven legitimeerden, de politieagenten die zorgden dat 'de mensen' op transport gingen, de bus- en treinbestuurders en alle andere spoorwegmensen die de transporten regelden, de mensen van de bedrijven die materiaal leverden voor de kampen, de fabrieken die van gevangenen gebruik maakten, enz. enz. enz. Waren al die mensen slecht, kwaad in de gewone zin van het woord? Nee natuurlijk niet Ze waren net zo als u en ik, ze streefden dus ook naar een goed, zo mogelijk gelukkig leven, waren bezorgd om de mensen rondom hen etc. En toch kunnen we niets anders zeggen, dat de wijze waarop zij handelden een vorm van alledaags kwaad was, dat heel duidelijk bijdroeg aan het grote kwaad. Dat alledaagse kwaad van hen, dat werd ingeschakeld in dat evidente, manifeste, met geen woorden te beschrijven kwaad.

            Hoe ging dat in z'n werk? Beter, hoe kon dat eigenlijk gebeuren? Zag niemand dan dat hij of zij toch bijdroeg aan dat grote kwaad? Ik kan alleen maar een paar mechanismen noemen die dat kennelijk verhinderden, mechanismen – dit is belangrijk - die vandaag de dag ook werken.

            Daar is allereerst wat ik in navolging van een Amerikaans auteur (Fred E. Katz) 'packaging' noem. Dat wil zeggen, dat van het hele pakket van taken dat iemand in zijn werk en zijn leven uitvoert, altijd enkele onaangename zijn, die doorgaans dan goed gemaakt worden door de meer aangename: de politieagent die het afschuwelijk vond om een aantal opgepakte joodse mensen te bewaken, maar de andere kanten van zijn werk wel leuk vond, en zich dus zo veel mogelijk druktevoor dat onaangename werk. Voorbeelden zijn er genoeg. Wij allemaal verdelen kennelijk de minder leuke, ook wel de kwade kanten van ons handelen zogezegd over het hele leven heen, zodat de goede als het ware de kwade compenseren, maar, en daar gaat het om, zodat ook, in potentie, we het alledaagse kwaad dat we doen, niet in verband brengen met kwaad als zodanig.

            Een ander mechanisme, vooral in deze tijd buitengewoon krachtig, is natuurlijk blinde carrièrejagerij, u kent het wel: het door roeien en ruiten gaan met het streven naar succes in een organisatie, vergezeld van de neiging om de mensen in te delen in 'winners' - waar jij bij zál horen, hoe dan ook - en 'losers'. Ik kan me niet uitspreken over de effecten vandaag de dag van dat ‘carrièrisme’, maar het is zeker dat ten tijde van de holocaust dit een mentaal mechanisme was waarlangs het kleine, alledaagse kwaad van de ambitieuze mens heel gemakkelijk ingevlochten werd in het grote kwaad. Waarom? Simpel, omdat het gemakkelijk morele blindheid kán bevorderen.

            Dan is er het meer publieke mechanisme van de bureaucratisering van organisaties. Met betrekking tot de holocaust is daar al veel over geschreven. De essentie is deze: niet dat bureaucratisering als zodanig kwaad is of tot kwaad leidt, maar wel is te zeggen, dat een aantal kenmerken van het welhaast onvermijdelijk bureaucratiseringsproces gemakkelijk door het grote kwaad misbruikt kunnen worden. Denk bijvoorbeeld aan: de neiging om puur formeel te zijn en de objecten van je zorg niet als mensen, maar als zakelijke, professioneel gedefinieerde poblemen te zien; de neiging om een probleem in stukjes op te delen, en dan alleen stuksgewijs te behandelen, zodat elke bureaucraat, elke afdeling alleen voor een beperkt stukje verantwoordelijk is; de neiging alleen problemen te zien die werkelijk geheel en al 'gemanaged' kunnen worden en de wil om hoe dan ook alles te ‘managen’; verder de neiging om de competentiestrijd tussen afdelingen, diensten, ministeries te bevorderen, zodat het hoofddoel niet de oplossing van een gezamenlijk probleem wordt, maar de strijd om zelfhandhaving. Kortom, de mogelijkheid die in een bureaucratiseringsproces zit, is dat men letterlijk en figuurlijk de mensen waar het om gaat, niet meer ziet.

            En dat brengt me bij nog een mechanisme, en dat is, dat het ultieme, het grote kwaad natuurlijk niet direct zichtbaar heette te zijn t.t.v. de holocaust, maar zich elders afspeelde, op plaatsen waar je liever niet aan denkt. En hier treffen we één van de belangrijke kenmerken van het kwaad, het lijkt wel alsof het zelf zegt, dat het er niet is, en waar het dan wel is, dat het dan een zaak van anderen is, dat het letterlijk ver van je bed staat, en dat jij er niet verantwoordelijk voor bent. Het is alsof juist het alledaagse kwaad ons als het ware voortdurend toefluistert, ‘ách, dat grote kwaad, daar kun jij helemaal niets aan doen, dat doen de anderen, en ik, dat kleine alledaagse kwaad van dat hele kleine beetje meedoen, dat doet er toch helemaal niet toe, dat is onvermijdelijk, doe alsjeblieft niet moeilijk, niet wereldvreemd'. Het zou wel eens juist dit alledaagse kwaad met zijn fluisterpraatjes kunnen zijn, waarvoor we toch meer op onze hoede moeten zijn dan we vaak vermoeden.

Juist omdat daarachter nog weer een ander mechanisme schuilt, het laatste dat ik noem. Het betreft de neiging om feitelijk bang te zijn voor het uiten van een eigen mening, bang te zijn voor echt, individueel denkwerk. Dat geeft bijvoorbeeld het beroemd-beruchte Milgram-experiment aan, het experiment waarvan u vast wel eens gehoord hebt. Het is een experiment, gehouden midden jaren '60, en geleid door mensen in witte jassen, waarin gewone mensen gevraagd worden om als leraar op te treden bij het stellen van vragen aan volwassen leerlingen - feitelijk acteurs - die zich achter een gordijn of in een apart kamertje bevinden. Bij een fout antwoord moeten de leraren, feitelijk de proefpersonen, in opdracht van de witgejaste professor de leerling een stroomstoot toedienen - geen echte natuurlijk, maar dat weet de leraar/proefpersoon niet -, bij elk volgend fout antwoord een hogere. Wat blijkt uit dit gruwelijke experiment? Dat 62% van de gewone mensen, puur op gezag en intellectuele status van een professor in een witte jas, bereid zijn om de zogenaamde leerling, die het achter het gordijn uitschreeuwt van pijn, tenslotte vrijwel dodelijke stroomstoten van 450 V toe te dienen. Wat zien we hier? Volgens mij de angst om werkelijk alleen ergens voor te staan, werkelijk na te denken, en je daardoor te verplaatsen in anderen, maar te vluchten in 'praatjes', die van 'het' gezag  in dit geval, of van je eigen ‘zelf’ of van wat in jouw kringetje bon ton is. Dát, die weigering om in je eentje na te denken, dat zou wel eens een hoofdvorm van alledaags kwaad kunnen zijn.

 

 

Reacties welkom: a.van_harskamp@dienst.vu.nl

Sluit dit venster