‘Een onvermijdelijk vaag en elastisch begrip’

Naar een omschrijving van het begrip ‘Civil Society’

 

Discussienotitie t.b.v. het werkverband ‘Civil Society’

8 april ’02

 

Anton van Harskamp

 

N.B. Voor het volgende heb ik veel profijt gehad van een op het net gepubliceerde tekst van James Manor. De tekst is mede bedoeld om empirisch onderzoek naar Civil Society te ondersteunen. Daarom is het aan te bevelen deze tekst eerst te lezen:

 

http://www.ids.ac.uk/civsoc/public.doc

 

John Ehrenberg stelt tegen het einde van zijn boek over de geschiedenis van de idee ‘Civil Society’ vast, dat we te maken hebben met ‘an avoidably nebulous and elastic conception that does not easily lend itself to a great deal of precision’ (Ehrenberg 1999, 234). Dat is een hele opluchting, om dat van een kenner van de geschiedenis van het begrip te horen. Toch is het voor ons nodig om zo niet tot een precieze definitie te komen, dan toch wel te streven naar wat ik maar noem, een ‘aanduidende omschrijving’ van het begrip en de werkelijkheid van ‘Civil Society’. Indien we met elkaar één coherent onderzoeksprogramma zouden uitvoeren, zou een meer precieze definitie nodig zijn. Dat is niet het geval.[1] Wel het geval is dat we naar uitwisseling van onderzoeksbevindingen streven. Dat maakt het nodig om te streven naar een dergelijke aanduidende omschrijving. Die kan ten eerste de indruk geven dat we ons op globaal hetzelfde sociaal-culturele en historische ‘object’ oriënteren. Het is tenslotte zaak niet langs elkaar heen te praten. Maar die omschrijving moet ten tweede ook verschillen toelaten tussen ieders perspectief, accent en niet te vergeten, waardering. Hieronder zal ik een voorstel doen tot een dergelijke aanduidende omschrijving, waarbij ik in discussie ga met enkele auteurs, ook met het voorstel van Govert Buijs in zijn paper Potestas indirecta van 7 januari 2002. Mijn doel is daarbij om in de buurt te komen bij een omschrijving die voor empirisch onderzoek werkbaar is.

 

1. Vooraf dienen we enig inzicht te krijgen in een aantal redenen waarom het concept zo ‘nebulous en elastic’ is. Er lijken op z’n minst drie, onderling samenhangende redenen te zijn.

 

1.1. Daar is om te beginnen het gegeven dat het begrip in het praktisch en theoretisch gebruik vaak een polemische inzet heeft (vgl. Karskens 2000: 11v.). Die inzet betreft niet een theoretisch spel, maar uiteindelijk de ‘governance’ van onze sociaal-culturele en politieke werkelijkheid (‘governance’ is te onderscheiden van ‘government’ als handelwijze van overheden; een min of meer adaequaat Nederlandse woord voor ‘governance’ lijkt me hier: ordening). Een paar voorbeelden van die polemische inzet. Ten tijde van Solidarnosc was het begrip vooral gericht tegen de totalitaire staat, niet op bijvoorbeeld hervorming van de staat of verbetering ervan op één of meer punten, zoals bijvoorbeeld nu het geval bij sociale bewegingen in het Westen, maar op afschaffing van de toenmalige staat. Een rest van dat anti-statelijke sentiment treffen we nog aan bij Philip Selznick, die het begrip plaatst tegenover de totalitaire staat die autonome groepen niet verdraagt (Selznick 2001: 171, 173). Maar feitelijk – en begrijpelijk voor de Amerikaan Selznick – is de andere ‘vijand’ voor hem belangrijker, namelijk de individualisering die door toedoen van ‘de markt’ de samenleving buiten die markt infiltreert en de mensen af dreigt te snijden van de bronnen (de voeding, ‘nurture’) van moraal en identiteitsvorming. Vandaar ook dat hij in zijn omschrijving van de onderdelen van de Civil Society én de sociale verbanden in de ‘realm of nurture’ noemt, in het bijzonder gezinnen, locale en etnische verbanden, én meer formeel geïnstitutionaliseerde ‘civic associations’. Vele Amerikaanse auteurs nemen soortgelijke posities in; bijvoorbeeld M. Sandel en A. Wolfe (en indirect R. Sennett) – wel vanuit onderling heel verschillende politieke visies – waar ze ‘Civil Society’ beschouwen én oproepen als een antidotum tegen vormloze, ‘proteïsche’, verhaalloze, postmoderne identiteiten. Weer anderen, bijvoorbeeld A. B. Seligman, zien het wat breder, en geven aan dat ‘Civil Society’ in de moderne tijd vooral opkomt in tijden van onrust door politieke, culturele en etnische conflicten, waarbij het begrip geassocieerd wordt met harmonieus samenleven en rust, of, als J. Keane, met de positieve organisatie van potentieel geweld, een potentieel dat inherent zou zijn aan een indivualiserende samenleving (de belangen en verschillen tussen de individuen zouden zo groot worden, dat de weg van het geweld voor de hand zou leggen; naast het geweldsmonopolie van de staat, zou ook een sterke Civil Society indirect voor het temmen van geweld dienen). Voor Govert Buijs staat Civil Society kennelijk tegenover al die maatschappelijke sferen waarin moreel symmetrisch en langs lijnen van macht en belang gehandeld wordt. Waarbij het er op lijkt dat het a-symmetrisch, op ‘zorg’ voor anderen, gerichte handelen van Goverts ‘nieuwe Civil Society’ een vorm van kritiek en protest is op het symmetisch (individualistisch ‘do et des’-handelen) in de systemen van staat en markt [Govert?].

Die polemische inzet kan, indien die verzwegen wordt, leiden tot onduidelijkheden bij de omschrijving van het begrip. Maar die polemische inzet kan bij ieder óók tot meer precisie in de omschrijving leiden. Namelijk als bij die omschrijving ook aangegeven wordt, op welke problematiek het begrip en de realiteit van Civil Society een antwoord moeten zijn. De verschillen tussen auteurs zullen vooralsnog weliswaar groot blijven, maar de helderheid in de omschrijving kan bij ieder afzonderlijk groeien. Het verdient daarom aanbeveling om bij de eigen aanduidende omschrijving van ‘Civil Society’, onderscheiden daarvan, ook aan te geven voor welke soort van sociale, culturele of politieke problematiek het begrip en de werkelijkheid ervan een oplossing is of zou moeten worden.

 

1.2. Een andere reden voor de moeilijkheden om tot een precies begrip te komen, is het al eerder en veel vaker geconstateerde feit dat in het praktische en theoretisch gebruik van het begrip vaak descriptieve en normatieve dimensies door elkaar lopen. Makkelijker gezegd: het begrip wil niet alleen een stand van zaken aangeven, maar ook een ideaal verwoorden; in de politiek is het niet zelden ook een slogan. Dat maakt het begrip in de eerste plaats tot een altijd ‘essentially contested concept’: onvermijdelijk dat er onderling vrijwel altijd verschillende invullingen van het begrip gegeven worden (zie de tekst van Annemiek en mijn vorige paper ‘Noodzakelijk etc.’ van 19 april 2001, bl. 4). In de tweede plaats betekent dit, kort door de bocht gezegd, dat het begrip vaak ook ongemerkt functioneert als een ideaal in het wetenschappelijk vertoog. Dus wanneer we schrijven over Civil Society, kán onze tekst zelf een onderdeel zijn van de discursieve praktijk waarmee naar de verwerkelijking van het ideaal ‘Civil Society’ gezocht wordt (tenzij men alleen wil beschrijven wat anderen van Civil Society vinden). Het verdient daarom aanbeveling om bij de (toelichting op de) omschrijving van het begrip en de werkelijkheid van Civil Society waar mogelijk aan te geven waar het begrip vooral meer descriptief en waar het meer normatief gebruikt wordt.

 

1.3. Nog een reden waarom precisie moeilijk is, is het gegeven dat, ofschoon het begrip in het gebruik dus vaak een polemische, zelfs een praktisch-normatieve inzet heeft, het tegelijkertijd een puur theoretisch ideaaltype is. Dit betekent hier, dat waar ik hieronder er voor pleit om Civil Society te zien als een intermediair gebied van groepen en organisaties, bijvoorbeeld sportclubs, liefdadigheidsverenigingen, vakbonden, NGO’s, kerken etc. etc., men in het concrete onderzoek zelden precies kan zeggen: díe vereniging hoort wél, en díe kerk níet bij het domein van de Civil Society (bijvoorbeeld wanneer een kerkelijke gemeenschap zich fundamentalistische afkeert van de moderne wereld van staat en markt) . Het is altijd een kwestie van gradatie (Manor 1999, 5).

Belangrijk is om zich hierbij te realiseren dat dit ook kan betekenen dat organisaties en groepen die op het eerste gezicht niet bij de Civil Society horen, bijvoorbeeld ondernemingen die aan MAVO – maatschappelijk Verantwoord Ondernemen – doen, ook activiteiten kúnnen ontplooien die een ‘Civil Society’-vormig/achtig karakter hebben.[2] Wat dus betekent dat we een onderscheid kunnen maken tussen Civil Society als een geheel van organisaties en groepen, én meer of minder geïnstitutionaliseerde Civil Society-achtige collectieve gedragspatronen. Daar kom ik hieronder nog even op terug. Dit pleit er voor om in het concrete onderzoek naar, zeg een kerkgenootschap of andere organisaties of instituties, onderscheidingen aan te brengen in bijvoorbeeld:

 

-         doelstellingen van de organisatie (hoofd- en nevendoelstellingen etc.)

-         ethische, culturele, politieke of religieus-politieke oriëntaties

-         typen van activiteiten jegens de sfeer van staat en markt

-         bestaande relaties tot instituties in de sfeer van de staat en de markt,

-         rollen die de organisatie speelt in die sfeer.

 

Om vervolgens dan bij die doelstellingen, oriëntaties, activiteiten, relaties en rollen aan te geven in welke gradatie men meer een deel is van de Civil Society, in welke gradatie dat minder het geval is; waarbij uiteraard het verschil tussen wens en werkelijkheid verdisconteerd zou kunnen worden (vgl. vooral Manor 1999, 6 voor deze onderscheidingen).   

 

2. Laat ik nu op weg gaan naar de ‘aanduidende omschrijving’. Daartoe eerst enkele opmerkingen over Goverts voorstel Civil Society vooral als een handelingssfeer te zien.

 

2.1 Goverts definitie luidt: Civil Society is ‘… die sfeer in de samenleving (die in principe onderscheiden is van de politieke sfeer, van de sfeer van de markt en van de privé-sfeer), die gekenmerkt wordt door aysmmetrisch handelen gericht op ‘zorg’: de instandhouding en verhoging van de kwaliteit van leven van andere mensen of ook van andere levende wezens (zie bl. 2 van zijn tekst).

 

Eerst een opmerking over ‘de politieke sfeer’ in deze definitie. Ofschoon de definitie (m.i. meer een ‘aanduidende omschrijving’) helder is, kan de benaming ‘politieke sfeer’ tot misverstanden leiden. Immers tot ‘het politieke’ kan onder meer horen het bestuurlijk handelen van staat en overheden, maar verder ook het werk in parlement en andere vertegenwoordigende raden in provincies, steden en dorpen, voorts de activiteiten van politieke partijen, bonden en andere overlegorganen, maar vooral ook, bijvoorbeeld, het handelen van buurtbewoners, vrouwengroepen, belangenverenigingen, ouderverenigingen, coöperaties, en wat niet al. Want tot de politiek horen alle handelingen die op één of andere manier tot ordening (‘governance’) van de samenleving willen bijdragen (of dat nu ten behoeve van het eigen belang of het bonum commune is, doet er nu niet toe). Ook de nieuwe sociale bewegingen doen in die zin heel duidelijk aan politiek. Daarom lijkt het me beter om in plaats van ‘politieke sfeer’ in de lijn van de gebruikelijke omschrijvingen van ‘staat’ te spreken, waarmee bedoeld wordt: de sfeer van bestuurlijk handelen door staat en andere overheden.

            De volgende opmerkingen. De al genoemde Manor onderscheidt in zijn Conceptpaper twee soorten benaderingen van Civil Society: politieke en sociologische benaderingen. Kenmerkend voor de politieke benaderingen in het Westen zijn onder meer een zeker accent op handelingen die een bepaald type van een zogenaamde vrije samenleving zouden moeten genereren. Meestal zijn dat handelingen die gestuurd worden door de liberaal-democratische principes van burgerschap, mensenrechten, democratie en wet (en voeg ik toe: fatsoen). Maar het gaat hier dus vooral om een type ‘handelingen’. De sociologische benaderingen daarentegen wijzen om te beginnen ‘slechts’ op een intermediair gebied en de instituties die daar aanwezig zijn, meestal tussen staat aan de ene kant en het private gebied aan de andere kant in. Waarbij, zoals bekend is, de discussie onder meer gaat over wat precies privaat is: is alleen het intieme gevoels- en denkleven van een individu privaat, of horen juist ook families, ja zelfs bedrijven daar nu bij, bij de private sector dus?[3] Welnu, Goverts definitie is een combinatie van beide benaderingen, waarbij hij voor wat betreft de ‘politieke benadering’ – feitelijk voor hem de belangrijkste, want het is de handelingsgerichte benadering – nu niet refereert aan de genoemde liberaal-democratische principes, maar aan het (onderliggende?) principe van de ‘zorg’ voor anderen via het asymmetrisch handelen.

            Ik meen bij nader inzien dat deze definitie als ‘aanduidende omschrijving’ aan het begin van een empirisch onderzoek tot lichte verwarring kan leiden. Wat de vraag oproept of deze definitie voor empirisch, beschrijvend onderzoek geschikt is. Niet alleen omdat twee soorten benaderingen, ieder met eigen discussiepunten, gecombineerd worden, maar om nog twee andere, samenhangende redenen.

Ten eerste omdat we met het accent op asymmetrisch handelen een zeer groot aantal soorten groepen uitsluiten van de Civil Society die traditioneel wel daartoe gerekend werden. Op zich vormt het beroep op ‘de traditie’ uiteraard geen argument, zeker niet waar die traditie zo verwarrend is. Maar te bedenken is wel dat groepen en organisaties van de Civil Society uitgesloten worden wier collectieve inzet niet in eerste instantie asymmetrisch op zorg voor anderen gericht is, maar allereerst op eigen groepsbelang; bijvoorbeeld groepen buurtbewoners die een bosje of weiland aan de overkant van hun straat willen behouden (én omdat dat mooier is dan de geplande nieuwbouw of het nieuwe asielcentrum én omdat dit financieel in het eigen belang is), of een etnische groep die opkomt voor een eigen buurthuis, school, kerk of wat dan ook. Groepen die in de eerste plaats dat eigenbelang dienen, desnoods door machtsontploooing, hoorden altijd ook bij de Civil Society, al was het maar omdat ze daarmee de pluraliteit van een cultuur bevorderen. ‘Parochial passions and obligations’, zo maakt Selznick duidelijk, horen ook bij de groepen die deel uitmaken van de Civil Society (Selznick 2001, 176vv.). Alleen, de aanwezigheid daarvan doen ons wel beseffen dat Civil Society altijd fragiel is (Dubbink) en dat die ‘passions’ volgens Selznick niet zelden ‘getemd’ en ‘geheroriënteerd’ (‘tamed and redirected’) moeten en kunnen worden. Over die civiliseringsarbeid zo direct nog enkele opmerkingen.

Nu het tweede bezwaar tegen het accent op asymmetrisch handelen als deel van een eerste aanduidende omschrijving van Civil Society. Dat bezwaar is dat met deze omschrijving concrete groepen, organisaties en bewegingen betrekkelijk moeilijk empirisch identificeerbaar worden. Met het accent op asymmetrisch handelen, zo blijkt uit de tekst van Govert, is wel degelijk sociaal-wijsgerig te werken, maar moeilijk empirisch sociologisch, antropologisch of historisch. Simpelweg omdat de asymmetrie in het handelen toch primair een zaak van motivatie is, en de verzekering dat men asymmetrisch handelt m.i. moeilijk stand houdt tegenover de gedachte dat het toch om eigen identiteit te doen is (zie paper van Govcrt over ‘identiteitsbenadering’: bl. 5v.). Even terzijde: deze moeilijkheid zou zich ook wel eens kunnen manifesteren wanneer men de nieuwe sociale bewegingen sociologisch in kaart wil brengen. Bij mijn weten is dat nog steeds een moeizame aangelegenheid. Men zou bijvoorbeeld kunnen onderscheiden tussen meer subsidiënt-(cliënt) gerichte organisaties, ook wel mass-mediated bewegingen genoemd, als Greenpeace, en bewegingen die in beginsel ‘community-based’ zijn, als bijvoorbeeld de Vredesbeweging voor 1989 met haar vele groepen aan de basis. De eerstgenoemde organisaties zijn volgens R. Putnam niet tot de Civil Society te rekenen, omdat ze feitelijk bestaan uit een kleine groep van professionals en vrijwilligers en verder massa’s mensen die alleen maar hun portemonnee aanspreken, maar verder niet aan civil-society-achtige activiteiten gecommitteerd zijn. Zonder dat oordeel te volgen, demonstreert dit punt hier wel de moeilijkheid om het accent op asymmetrisch handelen empirisch hard te maken.

 

2.2. Op grond van het bovenstaande pleit ik voor een overname van de sociologische en op het eerste gezicht beschrijvende aanduiding die de nu al vaker genoemde Manor geeft. Dat wil zeggen: juist met het oog op beginnend empirisch onderzoek, dus eerst een ‘gewoon’ beschrijvende aanduiding. En waar blijft dan de normatieve dimensie? Die komt ter sprake wanneer daarna de werking van de Civil Society als geheel aangeduid wordt. Die dimensie moet dus analytisch onderscheiden worden van de aanduiding zelf, temeer daar die normatieve dimensie vooral een dimensie is, die door ons als afzonderlijke auteurs aan het begrip toegeschreven wordt. Overigens, Manor heeft zijn definitie ontwikkeld voor gebruik in een groot aantal landen.

 

2.2.1. De (sociologische) aanduiding/definitie van Manor luidt:

 

‘An intermediate realm situated between state and houshold, populated by organized groups or associations which are separate from the state, enjoy some autonomy in relations with the state, and are formed voluntarily by members of society to protect or extend their interests, values or identities.’

 

Eerst enkele aanvullende opmerkingen over de voordelen van deze aanduiding/definitie.

In de eerste plaats is een voordeel dat deze aanduiding aansluit bij een zekere consensus in het denken over Civil Society vanaf Tocqueville. De komst van Civil Society hangt volgens dit denken samen met moderniseringsprocessen waarin door maatschappelijke differentiëring meer of minder autonome sociale sferen kunnen ontstaan. Het zijn sociale sferen die enerzijds onafhankelijk zijn van de staat (en de macht waarmee de staat werkt), als ook van het private terrein van gezin én markt (en van de oriëntatie op persoonlijk belang), terwijl die sociale sferen anderzijds juist door die onafhankelijkheid de neiging van de staat om via haar macht door te dringen in het geheel van de samenleving én de neigingen op het private terrein om het publieke goed te vergeten, tegen gaan. Anders gezegd: deze aanduiding/definitie sluit aan bij de traditie volgens welke Civil Society enerzijds een onafhankelijke sfeer is waarin mensen in vrijheid verbanden aangaan, waarbij anderzijds juist daardoor een balans tot stand gebracht wordt, zelfs een bemiddeling, tussen publieke en private kwesties.

In de tweede plaats is het voordeel dat deze aanduiding aansluit bij het accent op de vrijwilligheid in de ‘Tocquevilliaanse’ traditie.

            Een ander voordeel sluit daar bij aan. Anders dan bijvoorbeeld Selznick aangeeft, horen niet-vrijwillige verbanden, als gezinnen, in beginsel niet bij de Civil Society. Met Selznick zou men wel kunnen beweren, dat gezinnen en andere niet op vrijwilligheid berustende verbanden (bijvoorbeeld extended families, clans) ‘voedend’ kunnen zijn voor het gewenste gedrag binnen de Civil Society, maar het lijkt daarbij zinvol om ze conceptueel te onderscheiden van de Civil Society zelf. Te onderscheiden dus, bijvoorbeeld in termen van meer direct participerende en meer indirect participerende organisaties en associaties (gezinnen, clans, maar ook religieuze gemeenschappen die voor hun eigen interne opbouw bepaald niet de waarde van individuele, vrije keuze honoreren – de katholieke kerk bijvoorbeeld, hoort volgens Putnam niet tot de Civil Society; in mijn voorstel: dus niet direct participerend).

Globaal gesproken betekent dit, dat men de volgende soort associaties en instituties als direct participerend zou kunnen beschouuwen: 1) de massamedia, voorzover niet beheerst door de staat; 2) op opvoeding, onderwijs en vorming gerichte instituties: crèches, scholen, universiteiten, musea, leesgroepen, bibliotheken e.d.; 3) belangengroepen als vakbonden, kamers van koophandel; huurdersverenigingen; 4) kerken en andere religieuze organisaties en gemeenschappen; 5) georganiseerde ontspannings- en vrije-tijdsorganisaties als sportverenigingen, muziekbands etc.[4]

            Nog een voordeel is dat de aanduiding/definitie begint met de erkenning dat de groepen en gemeenschappen van de Civil Society georiënteerd zijn op eigen belangen, waarden en identiteiten. Dat is een erkenning van Selznick’s onvermijdelijke ‘parochial passions’. Echter, het is niet als vanzelf gezegd, dat deze groepen daarmee uitsluitend en alleen ‘groepsegoïstisch’ zijn. Eigenbelang is niet noodzakelijk egoïsme. Het kan zelfs een vorm van eigenbelang zijn om asymmetrisch te handelen.

Even terzijde: een altijd omstreden categorie in de het debat over Civil Society zijn politieke organisaties als politieke partijen: horen die nu bij de Civil Society of niet? In de lijn van deze aanduiding/definitie is het antwoord: in beginsel ja! Bijvoorbeeld waar politieke partijen gericht zijn op de verbetering van staatsbestuur of de bevordering van de participatie van de burgers aan publieke kwesties. In die zin horen ze (meestal) bij de ‘Civic Associations’ – lees Selznick 2001, 178-181 –, dat zijn al die associaties die direct gericht zijn op verhoging van de ‘kwaliteit van leven’, althans voorzover collectieve arrangementen daarvoor noodzakelijk zijn.

 

2.2.2. Voordat ik tot slot aankom bij de normatieve dimensie van het begrip, moet hier wel een nadeel van deze aanduidende omschrijving/definitie gegeven worden (die dus om te beginnen puur gericht is op het mogelijk maken van empirische beschrijving). Dat nadeel vormt, zoals we zullen zien, overigens tegelijk de overgang naar de bespreking van de normatieve dimensie.

Dat nadeel is tweeledig. Ten eerste geeft deze definitie niet aan welke precieze functies en effecten de organisaties en associaties in hun onafhankelijkheid jegens de sfeer van staat en markt precies hebben, of zouden moeten hebben. Manor onderscheidt vier (gewenste, dus normatieve) effecten van de organisaties en associaties richting staatsbestuur in het bijzonder en publieke ‘governance’ in het algemeen: 1) het mobiliseren van mensen en het bevorderen van participatie aan bestuurlijk en politiek beleid; 2) het bevorderen van transparantie en informatie van het beleid van staat en overheden; 3) het helpen vergroten van de ‘performance’ van staat en overheden; 3) het bevorderen, waar nodig verdedigen van sociale rechtvaardigheid, mensenrechten, en ‘the rule of law’. Degenen die meer op de ‘voedende’ kanten van de Civil Society letten, wijzen vooral op de gewenste effecten als de bevordering van sociaal vertrouwen (Fukuyama) of van ‘civic virtues’ en democratische ‘habits of the heart’ (Bellah, Selznick).

Ofschoon deze effecten wellicht in het concrete empirische onderzoek identificeerbaar (operationaliseerbaar) zijn, kleven zowel aan het benoemen ervan als aan het algemene kader waarin de aanduiding/definitie van Civil Society staat, het nadeel – dit ten tweede – dat ze de normatieve dimensie bindt aan een situatie die volgens velen radicaal veranderd is (op z’n minst sterk aan het veranderen is). De aanduiding/definitie lijkt uit te gaan van een beeld van een problematiek die nog bepaald wordt door de soevereiniteit van de nationale staat aan de ene kant, en negatieve processen van individualisering aan de andere kant. Civil Society moest immers op die problematiek antwoord geven. De vraag is of het beeld van die problematiek nog klopt. Hardt en Negri, om maar de twee meest radicaal kritische ‘cultuurfilosofen’ van nu te nemen, schetsen een beeld van een globaliserende samenleving, waarin souvereine, nationale staten nauwelijks een rol spelen, en waarin de soevereine macht een altijd flexibel, amorf, economisch, sociaal en cultureel systeem is, waartegen nauwelijks nog verzet aan te tekenen valt, en waarin ook de Civil Society als meer of minder kritische balans tussen de aanspraken van macht en geld al lang ondergegaan is (M. Hardt/L. Negri, Empire, 328v.). Waar Civil Society zich nog manifesteert, blijkt ze vrijwel onmiddellijk opgenomen te worden in het adagium van de nieuwe ‘imperial sovereignity’ die zonder centrum is, dat is: ‘incorporeer, differentieer, manage’. Dat houdt in dat elk nieuw initiatief om de amorfe, centrumloze macht van de globaliserende samenleving af te zwakken, in balans te brengen of door verzet te breken, als vanzelf opgenomen wordt in ‘het vertoog’, onschadelijk gemaakt, en zo uiteindelijk ten gunste van diezelfde amorfe macht gebruikt (Id. 201). Zo negatief – bijna klassiek (neo)marxistisch negatief – hoeven we niet te zijn om toch de vraag te kunnen stellen of de gebruikte aanduiding/definitie niet te veel appelleert aan een wereld van vroeger, een wereld van nationale staten, een wereld met duidelijk gedifferentieerde, relatief onafhankelijke sferen, vijf in getal, namelijk van 1) individu, 2) markt, 3) Civil Society, 4) recht en wet, 5) politieke samenleving en 6) staats- en overheidsbestuur. Die duidelijke wereld, zo betogen Hardt en Negri om het hardst, die bestaat niet meer.

 

2.2.3. Die vraag moet ik hier laten staan. Wel geeft de vraag mij aanleiding om nog enkele opmerkingen te maken over de normatieve dimensie van het begrip ‘Civil Society’. Wat nu volgt is, kan eventueel overgeslagen worden, moet nog veel verder uitgewerkt.

Vooraf drie punten. Ten eerste, dit is dus een persoonlijke, normatieve opvatting over ‘het nut’ van Civil Society. Ten tweede, in het concrete werk zou naar mijn smaak ieder die persoonlijke, normatieve opvatting moeten verwoorden (om later tot een gesprek daarover te komen, misschien zelfs een overeenkomst te bereiken). Ten derde wordt met de volgende normatieve opvatting uiteindelijk ook aangegeven wanneer een organisatie of associatie meer ‘civil’ dan wel meer ‘uncivil’ is, dus wanneer ze er in termen van gradatie meer of minder bij de Civil Society hoort. Hetzelfde geldt voor organisaties en associaties die ideaaltypisch gesproken a priori niet bij de Civil Society horen, maar die soms wel activiteiten kunnen ontplooien die direct of indirect een civil society-achtig karakter hebben (bijvoorbeeld van commerciële ondernemingen, de katholieke kerk of een andere gesloten religieuze gemeenschap).

 

Welnu, ik zou als eerste over het algemene, normatieve kader van waaruit we over Civil Society kunnen spreken, moeten zeggen dat we steeds minder de normatieve noodzaak van ‘Civil Society’ moeten legitimeren vanuit de aanspraken op gezag vanuit de staat aan de ene kant en de markt aan de andere kant. De situatie is wellicht inderdaad zo als Hardt en Negri aangeven: er is steeds minder sprake van een centrum dat ons regels oplegt, ook niet meer een macht die duidelijk identificeerbaar is en die ons in doen en laten, innerlijk en uiterlijk, disciplineert (zoals Foucault nog dacht). Het is eerder zo, dat er in ieders economisch, politiek, cultureel én innerlijk leven mechanismen schijnen te werken die ervoor zorgen dat we, zoals Zygmunt Bauman in zijn ‘Community’ aangeeft, als het ware wél samen gecoördineerd handelen, maar zónder dat we waarlijk geïntegreerd zijn (Bauman, Community, Polity Press 2001, 126vv.). We – ik spreek over ‘we’ om het gevaar te ontlopen dat we cultuurkritisch alleen anderen onderhevig zien aan ‘grotere’ processen en onszelf niet  – zijn steeds minder van boven of van buiten af gecommandeerde mensen. Nee, dankzij het feit dat we ons sociaal en politiek steeds meer losmaken van morele appèls en verantwoordelijkheden (disengagement), en dankzij het exces aan productie- en consumptiemogelijkheden, worden we meer en meer mensen, ik volg nog steeds Bauman, die de beslissingen voor het handelen zelf nemen, die aan ‘self-surveillance’ en ‘self-monitoring’ doen (en die daarom de vaste overtuiging hebben dat de bron van het gezag dat ze volgen, uitsluitend en alleen bij hun individuele ‘zelf’ ligt).

            In die situatie – het kan niet anders dan dat ik met altijd onverantwoord grote stappen ga - zijn er twee gevaarlijke tendensen (op sociaal-cultureel, religieus en politiek gebied ineen). De ene tendens is die richting strikte en zogenaamd echte ‘community’, zelfs richting fundamentalisme op religieus en politiek gebied: het verlangen naar een echte warme, veilige gemeenschap, zich uitend in geweld tegen alles wat het beeld daarvan bedreigt. De andere tendens is die we meestal gaan: die naar de consumptie en de beleveniseconomie. Mijns inziens is Civil Society nodig om déze tendensen tegen te gaan (dus niet alleen meer de tendensen om óf door de staat óf door de markt beheerst te worden). En mijns inziens beslist het antwoord op de vraag of dat meer of minder lukt, óók over het antwoord welke organisatie of activiteit nu wel of niet civil society-achtig is.

 

Welke criteria zijn nu te noemen voor die organisatie of activiteit die meer of minder Civil Society is? In alle vaagheid tot slot het volgende.

            Een eerste criterium komt neer op de eis dat er binnen de betreffende organisatie of aan een specifieke activiteit een zeker besef, bewustzijn of kennis van de zojuist genoemde problematiek aanwezig is: zonder besef of bewustzijn van de problematiek is er geen weerwoord mogelijk.

De volgende twee criteria volgen uit de geschetste problematiek. Want ten tweede moet binnen een organisatie etc. een visie bestaan op een balans tussen individu en gemeenschap: tegen de ‘fundamentaliserende’ tendensen tot vorming van alles opslokkende ‘gemeenschap’ moet het recht van het eenzame individu geclaimd, tegen het ‘disengagement’ door de consumptiecultuur van het individu moet de waarde van de gemeenschap – een altijd onvermijdelijk fragiele gemeenschap – ‘beleden’ en gepraktiseerd worden. Kortom: het tweede en het derde criterium: de balans van individu en gemeenschap.

            Het vierde criterium zit daaraan vast: een organisatie en/of activiteit hoort bij de Civil Society wanneer juist de relatieve autonomie én het grensverkeer van de al eerder genoemde sferen – individu, markt, Civil Society, recht en wet, politieke gemeenschap, bestuur van staat en overheden – bevorderd wordt. De nieuwe postmodern-maatschappelijke situatie wordt immers gekenmerkt door de-differentiëring. Civil Society houdt nú een pleidooi in voor differentiëring.

Het vijfde criterium. Civil Society vergroot het verzet, de betrokkenheid, het ‘theater’ desnoods, waarin de samenleving uitgedaagd wordt die ons tot autonome, zichzelf-onderwerpende subjecten wil maken.

Er zijn nog meer criteria. Die kunnen zo nodig uit de tekst van Selznick gehaald worden. Bijvoorbeeld: er moet een principiële erkenning zijn: van morele basisprincipes (die dus ook uitsluitingsprincipes zijn), van levensbeschouwelijke en religieuze pluraliteit, van de noodzaak van participatie van individuen aan ‘de publieke zaak’, en van – wanneer het over ‘de markt’ gaat – van de morele grenzen van de omvang van privaateigendom, concurrentie en winstmaximilisatie.

 

3. Samenvatting van de belangrijkste punten:

 

1.      We moeten beseffen dat het begrip en de werkelijkheid van Civil Society in het gesprek met anderen onvermijdelijk ‘nebulous and elastic’ is.

2.      We verminderen de onduidelijkheid door voor ons zelf en in geschrifte ten eerste een onderscheid te maken tussen de beschrijvende en de voorschrijvende dimensies van het begrip en ten tweede door uitdrukkelijk aan te geven op welke problematische werkelijkheid het begrip een antwoord zou moeten zijn.

3.      Voor het empirische, op beschrijving gerichte onderzoek lijkt het verstandig te beginnen met een sociologische definitie die focust op de tussenlaag tussen bestuur van staat en overheden aan de ene kant en markt en gezin aan de andere kant.

4.      In het ideale geval is het mogelijk om op basis van de beschrijving van een organisatie, associatie of civil society-achtige activiteit, zowel de effecten (functies) van Civil Society gedifferentieerd te beschrijven, als om aan te geven aan welke criteria een organisatie, associatie of activiteit moet voldoen, wil die deel uitmaken van de Civil Society. 

5.      Een vooralsnog onzekere factor is of de differentiëring tussen individu, markt, Civil Society, recht en wet, politieke samenleving en staat/overheden wel een empirisch gefundeerd beeld geeft. Wel lijkt het aan te bevelen om het streven naar relatieve autonomie van die verschillende sferen te zien als een criterium voor de ‘civility’ van de Civil Society.



[1] Overigens, een relatief recente bundel die wel de neerslag is van twee onderzoeksprojecten aan de KUN, laat zien dat elke auteur toch een eigen, meer of minder sterk van de anderen onderscheiden definitie gebruikt. Ieder gaat ook hier zijn eigen weg, men werkt niet op basis van een gedeelde definitie. Het betreft de bundel onder redactie van Jaap Gruppelaar, Burgers en hun bindingen, Budel, Damon 2000. De definities vindt u op 28v. (van M. Karskens), 32/37 (van J. Gruppelaar), 76 (van I. Bocken), 140 (van E. van Zweerde). De onderscheidingen, of beter, de verschillen tussen de auteurs zitten in hoofdzaak vast op het gegeven, dat waar met name Karskens en Van Zweerde in de lijn van het dominante ‘Tocquevilliaanse’ vertoog het accent op de vrijwilligheid van de associaties en het onderscheid met staatsbestuur en markt leggen, Gruppelaar uitdrukkelijk Civil Society met de politieke ordening van de samenleving verbindt, terwijl Bocken meer in het algemeen Civil Society als de sfeer kenschetst waar het private en het publieke elkaar ontmoeten (zonder overigens beide termen te definiëren). 

[2] W. Dubbink, ‘Het kapitalisme als kwetsbare orde: De radicale implicaties van maatschappelijk verantwoord ondernemen’, in: Krisis: Tijdschrift voor empirische filosofie 3 (2002) nr. 1, 14-38, m.n. 27vv.

[3] Een prachtartikel is dat van Jeff Weintraub, ‘The Theory and Politics of the Public/Private Distinction’, in: Id./Krishan Kumar eds., Public and Private in Thought and Practice: Perspectives on a Grand Dichotomy, Chicago/London: The University of Chicago Press 1997, 1-42. Hij waarschuwt voor een ondoordacht gebruik van de public-private dichotomie. Omdat er in sociaal-wetenschappelijke vertogen minstens vier verschillende versies van die dichotomie de ronde kunnen doen (en ze niet verward en geen ervan ook tot de enig ware verklaard kunnen worden). Daar is in de eerste plaats de liberaal-economistische benadering waarin het publieke staat voor staatsbestuur en het private voor markteconomie. En voorzover die laatste bepaling van het private ook buiten de markt van betekenis wordt geacht, komt hier een mensbeeld mee van het utilitaire liberalisme, van wezenlijk geïsoleerd levende individuen die pas vanuit dat isolement relaties met anderen kunnen aangaan etc. Het komt me voor dat in de tekst van Govert vooral deze dichotomie van publiek-privaat besproken wordt. Er is echter ook een meer republikeinse of klassieke onderscheiding, volgens welke het private a priori een potentie tot het publieke heeft en het publieke niet alleen van de markt, maar ook van het staatsbestuur onderscheiden is. Ten derde is er dan nog de neiging om het publieke alleen in de sfeer van de fluïde sociabiliteit te zien, op straat, in bioscopen, vliegtuigen, liften etc. etc. en het private te beperken tot het puur persoonlijke beleving. Ten vierde is er de neiging bij vooral feministische denkers om het private tot gezin en opvoeding te beperken en het publieke tot de omvattende economische, politieke en sociaal-culturele orde.

[4] D. Schecter, Sovereign States or Political Communities: Civil Society and Contemporary Politics, Manchester Univ. Press 2000, 3. Zie voor een meer gedifferentieerd beeld: Manor 14.