'Civil Society': Noodzakelijk, onduidelijk en altijd
omstreden
Aantekeningen over de problematiek en de bruikbaarheid van
het begrip
Anton van Harskamp
Civil Society is in het Westen al enkele tientallen
jaren een veelbesproken begrip, vooral onder diegenen die zich zorgen maken over
de opbouw, de werking en de samenhang van de huidige samenleving. En dat terwijl
het begrip eeuwenlang nauwelijks speciale aandacht kreeg. De term is weliswaar
al oud, werd al in het klassieke denken benut in het denken over de Griekse
stadstaat, maar was toch voornamelijk een begrip dat bijna uitsluitend door
geleerden gebruikt werd om een segment van het maatschappelijk leven aan te
duiden. Terwijl het begrip vandaag de dag in de media uiterst populair is en
zowel daar als in het politieke en sociaal-wetenschappelijke vertoog een hoge
associatiewaarde blijkt te hebben. Die associaties liggen overigens nogal eens
ver uit elkaar, want waar de één de Civil Society ziet als de
oplossing voor vele maatschappelijke en morele problemen, beschouwt de ander het
begrip als een politiek-ideologische illusie (en we zullen hieronder nog zien,
dat de kritiek op het begrip niet alleen van klassiek links komt, maar ook,
bijvoorbeeld, van radicale politiek-conservatieven).
De huidige populariteit van het
begrip in positieve en negatief-kritische zin dus - is op gang gekomen in de eerste helft van de jaren tachtig,
toen Oost-Europese intellectuelen een revolte signaleerden, en zelf
propageerden, van de Civil Society tegen de staat, een revolte vóór
democratische impulsen van onderaf, van vrijwillige acties van burgers, tégen
de dwang en de beheersingsdrift van het zo weten we nu afbrokkelende
communistische totalitarisme (Shanks ...).[1]
Vrijwel tegelijkertijd werd de term ook in de V.S. populair, en dus ook in het
Europese sociaal-wetenschappelijke en politieke denken, in het bijzonder bij hen
die nadachten over de sociaalmorele, religieuze en politieke bronnen van de
moderne, liberaal-democratische samenleving. Waarbij de hoofdgetuige altijd
Alexis de Tocqueville was, en dat trouwens tot op heden nog altijd is.
Tocqueville, die geniale Franse aristocraat die in de jaren dertig van de
negentiende eeuw Amerika beschreef als hét model van de komende, nieuwe
samenleving, één die geordend zou zijn rond een civiel-maatschappelijke
sfeer van een netwerk van voluntary associations. In diezelfde tijd kreeg
de term in Europa ook langs een andere traditie de wind mee, in het bijzonder
via het denken van Habermas, die de term niet in de eerste plaats als een
antitotalitaire of strikt politieke begrip beschreef, maar in de eerste plaats
meer omvattend, als een aanduiding voor een algemeen culturele sfeer, een sfeer
waarbinnen een communicatieve competentie beoefend en geoefend werd die op alle
mogelijke gebieden van het maatschappelijk leven inzetbaar zou zijn, niet alleen
op het niveau van de politiek.
Alleen al die verschillende associaties en die
verschillende contexten waarnaar zojuist gewezen werd, maken het noodzakelijk om
naar een antwoord te zoeken op de vraag waar die relatief plotselinge
populariteit van de term vandaan komt, en ook om te kijken wat de inhoud en het
belang van het begrip zijn.
1. Achtergronden van de populariteit
Om iets van de huidige populariteit van Civil
Society te begrijpen, moeten we al vooruitlopen op een nadere omschrijving
van het begrip. Die omschrijving kan niet anders dan zeer algemeen zijn.
Behulpzaam is daarbij een blik, een zeer korte blik, op de geschiedenis.
1.1. Ehrenberg onderscheidt in die geschiedenis drie fasen
(Ehrenberg 1999). In de eerste fase, globaal vanaf Plato tot het einde van de
Middeleeuwen, was Civil Society een aanduiding voor de sfeer van de door
vorst, stad of staat politiek beschermde en juridisch geordende gemeenschappen
van burgers. De Civil Society betrof de politiek georganiseerde, dus op
collectief machtsbelang gebaseerde gemeenschappen. De tweede fase kwam met de
komst van de moderniteit, dat is hier met de komst van nationale staten en
markten. Het accent verschoof toen van de voorgegeven geachte gemeenschap naar
het vermogen en het (morele) recht van het individu om in zelfgekozen groepen,
op basis van individueel belang en individuele behoefte, deel te nemen aan het
maatschappelijk leven. Civil Soviety zou toen de sfeer zijn gaan aanduiden
waarin het individu in collectieve verbanden deel nam aan de productie van
goederen (materiële en ideële) en aan de competitie op de markt. Die
collectieve verbanden zouden, om met Hegel te spreken, een systeem van behoeften
vormen en als zodanig dus dienstbaar zijn aan het bestaan en het welzijn van het
individu (Hegel, Grundlinien, §§ 182, 183).
En nu zouden we in de derde fase zitten, de fase waarin ten diepste noch
alleen het collectief, noch alleen het individu het uitgangspunt van het denken
zou zijn, maar waarin het accent zou liggen op de intermediaire sfeer tussen het
individu en het collectief.
1.2. Daarmee zijn we al in de buurt gekomen van een
duiding van de huidige populariteit van het begrip. Het begrip wijst dus om te
beginnen naar een sfeer tussen het individu aan de ene kant en het door staat en
markt gevormde en geregelde collectieve leven aan de andere kant. Men kan
daarmee zeggen, dat het begrip appelleert aan het verlangen naar een synthese
tussen aan de ene kant het verlangen naar individuele vrijheid en
behoeftebevrediging, en aan de andere kant het besef dat het individu zich in te
zetten heeft voor het publieke welzijn, niet alleen omwille van het individuele,
private verlangen zelf, maar ook omwille van de waarde van het publieke leven
zelve. Vandaar dat volgens vele auteurs kenmerkend voor de Civil Society
altijd sociale verbanden zijn, die enerzijds berusten op vrijwillige keuze en
toetreding van individuen, en die anderzijds een bovenindividueel, sociaal en
moreel verplichtend karakter hebben. We komen daar op terug. Nu gaat het er om
aan te voelen dat bij de vele verschillen die er tussen auteurs bestaan over de
inhoud van het begrip Civil Society er ook vrijwel altijd een
gemeenschappelijke problematiek te herkennen valt waarop Civil Society een
antwoord zou moeten geven, namelijk een verwerking van de gespannen verhoudingen
op sociologisch niveau tussen het individuele en het sociale, op
sociaal-politiek niveau tussen het private en het publieke belang, en op
sociaalmoreel niveau tussen de zorg voor het zelf en de zorg voor de
anderen (vgl. Seligman 1992: 5).
1.2.1. Hetzelfde is, iets specifieker, ook als volgt te
zeggen: de huidige belangstelling voor Civil Society komt vermoedelijk
voort uit onvrede met zowel het functioneren van de markt als dat van de staat.
Waarbij wel te bedenken valt, dat bij de Westerse voorstanders van Civil
Society het accent uiteraard op de negatieve gevolgen van de markt
ligt. Leest men bijvoorbeeld de door Don E. Eberly geredigeerde The Essential
Civil Society Reader (2000), dan komt in de daar verzamelde artikelen over
de discussie in de V.S. telkens de zorg naar voren om het dubbelzinnige
negatieve effect van de markt. Die dubbelzinnigheid heeft te maken met het
gegeven dat de ideologie van de markt samen lijkt te gaan met een extreme
vorm van structurele individualisering. Individualisering duidt in dit verband
het proces aan, waarin het individu zich steeds meer als een van anderen
gescheiden substantiële entiteit beschouwt, een entiteit die als het ware
gebouwd is rond een leegte, dat is de nooit te bevredigen, consumptieve behoefte
aan goederen. Het gevolg daarvan, in zeer zwarte tinten geschetst in het artikel
van Michael J. Sandel in The Essential Reader, is het ontstaan van een
vormeloos, want door geen enkele echte gemeenschap of traditie gesteunde
individualiteit. Het zou een proteïsch, door en door gefragmenteerd levende
persoon opleveren, die geen weet meer van het eigen zelf en om die reden
ook geen echte bindingen met anderen kan aangaan of verantwoordelijkheden jegens
anderen op zich kan nemen (Sandel 2000: 297f.). Het dubbelzinnige is dan dat
precies dit besef van fragmentering, van doorgevoerd individualisme, een
cultureel homogene, collectieve gestalte aan zou nemen: juist in en door de
individualisering zouden moderne mensen meer en meer op elkaar gaan lijken. Het
is dit dubbelzinnige effect, waartegen de Civil Society vooral een dam zou
moeten opwerpen.
1.2.2. Michael Sandel, en in de zo juist genoemde bundel
vooral ook Alan Wolfe, leggen eveneens uit, waaruit dan, in het opzicht van
individualisering, het falen van de Westerse staat bestaat (Wolfe 2000: 51-67).
Enig inzicht daarin krijgen we, wanneer we zien dat de kern van de zorg die
achter het spreken over Civil Society zit, meestal een sociaalmorele zorg
lijkt te zijn, de zorg dat door de individualisering het besef van morele
verplichting aan zichzelf, en daardoor ook aan anderen buiten het directe
kringetje van het private leven, verloren dreigt te gaan. De algemene
problematiek waarop bijvoorbeeld volgens Wolfe de Civil Society in het
ideale geval antwoordt, is de teloorgang van de gebruikelijk bronnen van
sociaalmorele en politiek-morele verplichtingen: noch de religie, noch de
filosofie, noch de kunst, en, nu komt het, noch de politiek en de staat,
bevatten dergelijke morele bronnen. En de staat, in casu zijn
formeelbureaucratisch georganiseerde staatsapparaten blijken au fond
machteloos te staan tegenover de individualiserende werking van de markt,
terwijl de politiek niet zelden bewust medeplichtig aan de ideologie van de
markt is, gericht als de staat zou zijn op slechts procedurele bescherming van
het individu, het individu dat zich op zijn beurt steeds minder staatsburger en
steeds meer alleen maar een cliënt van staatsdiensten zou worden, een cliënt
met alleen maar rechten en geen verplichtingen jegens het publieke welzijn en
het politieke leven.
1.3. We hebben nu al een zodanige invulling gegeven aan de
motivatie achter het spreken over Civil Society dat niet iedere aanhanger
ervan zich daarin zal herkennen. Toch kunnen we vasthouden, dat in het Westen
het algemene motief achter theorieën en beschrijvingen van Civil Society
een ongenoegen is met, paradoxaal genoeg - en met excuus voor de grote woorden -
de twee succesvolste instrumenten van het menselijk samenleven, te weten de
neonkapitalistische markt en de moderne staat. Hun succes blijkt volgens de
meeste aanhangers van de Civil Society vandaag de dag een falen te zijn.
Het is het succes, dat de markt de mensen doet vergeten dat die markt zonder
moraal meedogenloos wordt, en uiteindelijk zonder moreel geïnspireerd
vertrouwen niet kan functioneren; het is het succes van een staat die doet
vergeten dat de staat alleen kan werken wanneer ze betrokken, kritische
(staats)burgers kent, niet alleen cliënten.
2. Noodzakelijk problematisch
Laten we nu eerst een poging doen om het begrip Civil
Society wat beter te omschrijven. Wanneer we afgaan op auteurs als Robert
Nisbet, Hillary Putnam, Peter Berger en Richard John Neuhaus, dan moeten we in
de meest algemene zin dit begrip zien als een aanduiding van de sociaalmorele
verbanden tussen de sfeer van het individu en de sfeer van de grote instituties
en organisaties van het publieke leven van markt en staat. De algemene gedachte
bij deze auteurs is dat hoe dikker en gezonder, dat wil zeggen hoe
veelbetekenender en specifieker voor het individu die zogeheten intermediaire
sfeer is, of laten vooralsnog zeggen, die tussensfeer van met name
voluntary associations, hoe beter dat is, én voor het individu zelf én
voor de gezondheid van een democratisch-geordende samenleving: hoe meer
verenigingsleven, hoe meer clubs, hoe meer buurtwerk, hoe meer gezamenlijke,
locale activiteiten, hoe meer mensen zouden leren dat ze én tot op zekere
hoogte autonoom zijn én wederzijds afhankelijk zijn van elkaar, hoe beter dat
zou zijn voor het functioneren van de markt en van de democratie.
Deze aanduiding lijkt op het eerste gezicht relatief duidelijk, maar is
het allerminst, zo zullen we zo direct zien. Het blijkt dat elke auteur over
nagenoeg elk facet van de Civil Society met elke andere auteur van mening
verschilt, in het bijzonder ook over de vraag uit welke soort groepen nu precies
die Civil Society bestaat. Daarover zo direct wat meer. Nu moeten we al
vaststellen dat het begrip altijd een wezenlijk omstreden begrip is, een
essentially contested concept. Wat betekent dat?
2.1. Een wezenlijk omstreden begrip in de sociale
wetenschappen is een begrip waarmee men zowel een normatieve inschatting én een
beschrijving wil geven van een gegeven situatie, alsook een appèl wil doen tot
verandering van die situatie (Plant 2001: 268ff.). Karakteristiek voor een
dergelijk begrip is verder, dat de nadere invulling ervan sterk afhankelijk is
van de sociale context, en dat, afhankelijk van context en de normatieve
momenten die aan het begrip vastzitten, de interpretatie van meerdere facetten
incompatibel kunnen zijn. Tot slot is karakteristiek dat allen die met het
begrip werken toch een gedeeld, vaak met waardeoordelen geladen oermodel van de
werkelijkheid van het begrip hebben. Welnu, zelfs over dat laatste, over dat
oermodel van de Civil Society verschillen auteurs nogal eens van
mening. Maar voor vele auteurs geldt, dat Tocquevilles beeld van een
samenleving waarin de kern gevormd wordt door duizenden soorten van vrijwillige
associaties waarin uiteindelijk én het individu én het gemeenschappelijk goed
gediend wordt, een soort oermodel is. Maar wanneer we dan gemakshalve voorbij
zien aan het Habermassiaanse model van een altijd durende open communicatie, en
van de eertijds Oost-Europese visie op de Civil Society als een soort
tegenmodel van de totalitaire staat, dan zien we dat het begrip in bijna alle
aspecten aanleiding geeft tot discussie en strijd.
2.2. Daar is om te beginnen uiteraard de normatieve
inschatting van de situatie waarop de Civil Society meer precies een
antwoord wil zijn. Lang niet alle auteurs zijn zo kritisch-negatief over
individualisering en de teloorgang van morele en politieke inzet en integriteit
als bijvoorbeeld Sandel of Berger en Neuhaus.
2.3. Vervolgens zijn er grote, zelfs incompatibele
interpretaties van het begrip te onderscheiden op het vlak van de werking, zeg
maar het effect van het veronderstelde leven in een Civil Society. Wanneer
we ons realiseren, dat de idee van een Civil Society ingebed is in een
samenhangend, gelaagd beeld van de samenleving als geheel private
sfeer, markt/economische sfeer, intermediaire sfeer, staat/politieke sfeer - en
dat de functie van die tussensfeer die de Civil Society is, voor een deel
is om de defecten, veroorzaakt door markt en staat op te vangen of te repareren,
dan zou men een onderscheid kunnen maken tussen beoogde effecten van de Civil
Society richting de markt (2.3.1) en beoogde effecten richting staat en
democratische politiek (2.3.2). Daarnaast zou men dan nog de beoogde
werkingen/effecten van de Civil Society kunnen onderscheiden, die een
waarde in zichzelf zouden moeten zijn (2.3.3.).
2.3.1. Het recent meest besproken beoogde effect richting
markt is uiteraard: vertrouwen. Fukuyama heeft als bekend daar ruim aandacht aan
besteed (Fukuyama 1995, 2000). Zijns inziens is trust en het vermogen tot
samenwerking één van de belangrijkste bijproducten van de Civil Society,
absoluut noodzakelijk om individuen in staat te stellen om in een snel
veranderende, door marktwerkingen voortgedreven globale samenleving staande te
blijven. Fukuyamas idee is dat die trust en de bijbehorende ethische
normen de facto aanwezig zijn in een hele range van gemeenschappen, variërend
van gezinnen tot de natie and all the other groups in between. Op basis
daarvan zou het sociaal kapitaal gegenereerd worden, sociaal kapitaal dat alleen
overgebracht zou kunnen worden met de medewerking van religieuze, traditionele
of historische habits of the heart. Essentieel volgens Fukuyama is in die
gemeenschappen ook de aanwezigheid van gezag en hiërarchie: de morele normen
die met trust meekomen werken niet vanzelf.
Hét probleem dat velen
signaleerden, en dat ook Fukuyama zelf niet bevredigend heeft opgelost,
kan omschreven worden als een letterlijk global variant op het
zogeheten Böckenförde-theorema (De liberale, geseculariseerde staat
leeft vanuit vooronderstellingen die de staat zelf niet kan garanderen).
Namelijk: die global society die alleen op trust kan draaien, lijkt
juist die traditionele, deels hiërarchisch gestructureerde gemeenschappen
van gezin tot natie and all the groups in between waarin trust
gegenereerd wordt te vernietigen. Hier ligt de achilleshiel van een pleidooi
voor Civil Society ten gunste van het functioneren van markt. Zie verder
2.2.4.
2.3.2. De beoogde effecten richting staat/politiek draaien
veelal rond begrippen als civic virtue en democratische habits of the
heart. Voor deze effecten heeft vooral Hillary Putnam zich sterk gemaakt (Putnam
1993, 1995). Zijn hoofdpunt ontleent hij voor een deel aan een studie naar de
verschillen tussen de structuren van regionaal bestuur tussen Noord-Italië en
Zuid-Italië. Het relatieve succes van de Noord-Italiaanse regios in het
doorstaan en verwerking van moderniseringsprocessen heeft volgens hem vooral te
maken met de aanwezigheid van een sterke Civil Society. Daaronder verstaat
hij het dichte netwerk van sociaal horizontale associaties waarbinnen als
vanzelf niet bewust civic engagement aangekweekt wordt. Hoe
dichter dat netwerk is, hoe beter het bestuur en de democratie. En let wel,
juist anders dan Fukuyama doelt Putnam uitdrukkelijk op voluntary
associations: sportclubs, allerlei coöperatieven, gezelschappen tot
wederzijdse steun, culturele verenigingen: alleen die gaan samen met goed
bestuur.
Bij wijze van intermezzo, en vooruitlopend op wat
hieronder nog in andere gestalten vermeld zal worden: hier stuiten we op één
van de meest opvallende verschillen tussen auteurs over de Civil Society,
namelijk het feitelijk verschil van mening over de vraag welke associaties wel
en welke niet tot de Civil Society gerekend moeten worden. Putnam rekent
dus, anders dan veel andere auteurs onder wie in Nederland bijvoorbeeld uit
de CDA-sfeer (A. Oostlander, A.C. Zijderveld), in de V.S. Berger en Neuhaus - de
facto het gezin niet tot de Civil Society, maar ook niet de katholieke
kerk. Hij legt alle nadruk op het voluntary karakter, een karakter dat de
katholieke kerk, althans in haar interne functioneren, duidelijk niet bezit. Dit
bijvoorbeeld in tegenstelling tot Michael Walzer, ook een verdediger van de
waarde van Civil Society. Walzer betrekt kerken en andere verenigingen op
religieuze grondslag, al of niet zelfstandig, al of niet geformeerd uit leden
van een bepaalde kerk, juist wel bij de Civil Society. Overigens, Putnams
visie roept ook de vraag op of single issue-bewegingen, non-profitorganisaties
en de zogeheten nieuwe sociale bewegingen (bijvoorbeeld vrouwenbewegingen,
milieuorganisaties) nu wel of niet tot de Civil Society gerekend moeten
worden. Ook in dat opzicht is Putman duidelijk: bewegingen waarvan het merendeel
van de leden hun solidariteit alleen met geld uitdrukken, kunnen niet tot
de Civil Society gerekend worden.
Verder met Putnam. Afgezien van de vraag welke associaties
wel en welke niet tot de Civil Society gerekend moeten worden, roept
Putnams voor het overige zeer boeiende beschouwing ook de vraag op, of en zo ja,
in welke mate, de associaties die deel uit maken van de Civil Society, een
politiek karakter hebben dan wel een politieke overtuiging uitdragen. Kritici
van Putnam wezen er al op dat tot in het recente verleden juist in zijn
Italië voluntary associatons als sportclubs, koren, culturele
verenigingen e.d. juist uitgingen van de grote politieke partijen. De
kwestie die hier achter ligt, bestaat uit twee delen. De eerste is dus de
simpele vraag in hoeverre de associaties zelf aan politiek mogen doen (waarbij
te bedenken valt, dat auteurs als bijvoorbeeld Fukuyama, en ook Berger en
Neuhaus juist de facto lijken te pleiten voor het paradoxale karakter van de
Civil Society: het zou gaan om associaties die zelf geen politiek of
jegens de markt geen economisch karakter hebben, maar ze zouden wel de
deugden en habits aanwakkeren die daarvoor nodig zijn (zie verder 2.2.4.). Het
tweede deel van de kwestie heeft te maken met de vraag dat, gesteld dat de
associaties wel een politiek karakter mogen hebben, zelfs uitdrukkelijk
politieke activiteiten ontplooien, of het betrekkelijk rooskleurige beeld dat
Putnam schetst van de Civil Society wel juist is: het beeld dat zeer vele
verschillende associaties meewerken aan een gedeelde inzet (civic
engagement) voor een democratisch bestuur en een bureaucratische geordende
politiek. Is dat niet een onderschatting van de tegenstellingen, de conflicten
en de strijd die uit politieke tegenstellingen kunnen voorkomen toegegeven,
nu even niet in ons polderland. Anders gevraagd: is het zo vanzelfsprekend dat
alle voluntary associations (de Hells Angels bijvoorbeeld) ten gunste
werken van civic engagement en democratische habits of the heart?
Kortom, juist hier, bij de vraag naar het al of niet politieke karakter van de
associaties die de Civil Society uit zouden maken, ligt aanleiding genoeg
tot het ontstaan van incompatibele interpretaties.
2.3.3. En dan de eigen waarde van de Civil Society.
We moeten dan denken aan de veronderstelde waarde van gemeenschap. Het is
evident dat de Civil Society mensen een beeld van meerdere soorten
gemeenschappen voorhoudt, maar als er één begrip onduidelijk is en uitnodigt
tot elkaar niet verdragende interpretaties, dan geldt dat wel voor het sociale
begrip gemeenschap (Bounds 1997: 2ff.) Immers, het verlangen ernaar dat
zich uitdrukt in het appèl dat het begrip Civil Society tegen
individualisering, fragmentering e.d altijd ook is, kán bijvoorbeeld een
verlangen zijn naar meer onmiddellijke relaties van bijvoorbeeld directe
solidariteit, of zelfs naar liefde en spiritualiteit, en wel tegenover de
verondersteld verdingelijkte relaties in de sfeer van de markt of de politiek.
Het verlangen naar gemeenschap kan er echter ook één zijn naar collectieve
binding op basis van etniciteit of groepscultuur. Zoals we weten is het niet
onwaarschijnlijk dat een dergelijk verlangen in een plurale cultuur ontstaat.
Of, andere mogelijkheid, er zou sprake kunnen zijn van een verlangen naar
heropleving van verloren tradities, of omgekeerd juist naar geheel nieuwe
praktijken van democratische participatie in de sfeer van de politiek, of, weer
anders, een verlangen naar een diepere eenheid van zeer verschillende groepen
mensen, overkoepeld door een transcendente bron dankzij welke die verschillende
groepen zich pas een gemeenschap kunnen voelen. Kortom, voor zover in het begrip
Civil Society ook een oproep meekomt tot gemeenschap, een gemeenschap die
kwalitatief anders is dan door de markt of de staat gerealiseerd kan worden,
komt de vraag op, zeer waarschijnlijk ook discussie en strijd, over de aard en
de soort van de gemeenschappen die men op het oog wil hebben.
2.3.3.1. Hetzelfde is ook langs een andere weg te
benaderen: het is heel goed voor te stellen, dat voor zover in het appèl dat
Civil Society is, ook het appèl tot gemeenschap meeklinkt, er grote
interpretatieverschillen kunnen onstaan over de aard van de gemeenschappen die
van die intermediaire sfeer deel uitmaken. Grofweg gesteld kunnen de posities
meer de traditioneel communautaire kant op gaan of meer de communautair-liberale
kant. In het eerste geval zou dat betekenen dat men alleen die gemeenschappen
tot de Civil Society rekent, die een in de tijd gezien relatief lange
traditie kennen, cultureel homogeen zijn en een veelheid aan relaties, ook
intieme relaties bevatten en waarin om zo te zeggen het onderscheid tussen de
private en de publieke sfeer niet altijd duidelijk te maken is gezinnen,
kerken, dorpen, buurten of buurtschappen bijvoorbeeld, maar niet bijvoorbeeld
stadswijken van grote steden. In het tweede geval zou men zich vooral richten op
die gemeenschappen die juist wel een onderscheid maken tussen het private en het
publieke, sportverenigingen bijvoorbeeld of vrijwilligersgroepen voor een
bepaald maatschappelijk doel, single-issue bewegingen als Greenpeace, Amnesty
etc. Denk in dit verband aan Richard Sennett, wiens argument is dat de Fall
of Public Man (1978) juist te maken heeft met de vervaging van het private
en het publieke terrein, met de al te grote nadruk op zaken als intimiteit en
authenticiteit, een nadruk die zowel in een cultureel sterk geïndividualiseerde
omgeving gelegd kan worden als in de gemeenschappen die strikte communautaristen
voor zich zien. In Sennetts lijn zullen juist de dikke gemeenschappen
niet, maar de functioneel-doelgerichte gemeenschappen wel ideaal zijn voor de
vorming van de Civil Society. Voor hem zou de Civil Society bestaan
uit die associaties die op één of andere manier ten volle de individuele
autonomie van individuen erkennen, maar die individuen wel leren om beschaafd,
civiel, met elkaar om te gaan, dat wil zeggen om te erkennen dat individuen geen
dichte en nauwe relaties hoeven te hebben, niet deel hoeven uit te maken van
één traditionele gemeenschap, maar wel om van elkaars inspanningen gebruik te
kunnen maken.
3. Tijd voor een nadere beschouwing en een slotconclusie.
3.1. Hierboven, in punt 2, zijn we meermalen gestuit op de
kwestie welke associaties en welke soort gemeenschappen nu wel of niet tot de
Civil Society horen. Over vele associaties blijkt er verschil van mening
te bestaan: het gezin, de kerk, de traditionele, hiërarchisch georganiseerde
gemeenschappen, de nieuwe gemeenschappen als non-profit organisaties,
single-issue bewegingen en nieuwe sociale bewegingen. Dat is één punt.
Nu is het goed om nog even stil
te staan bij dat andere kritische punt, bij de vraag in hoeverre de Civil
Society nu voluit, dan wel minder voluit een paradoxaal karakter heeft.
Anders gevraagd: is de Civil Society nu in meer of in mindere mate een
sfeer van waaruit op niet-economische en op niet-politieke manier de werking van
precies de economie en de politiek gestimuleerd wordt? Daarbij twee opmerkingen.
3.1.1. De eerste is dat men in het gebruik van het begrip
het gevaar loopt om ideologisch te spreken het gevaar dus, het is niet
onvermijdelijk. Het is het gevaar dat het antwoord dat men wil geven op de
maatschappelijke consequenties van de individualiseringsproblematiek zie
boven punt 1 de facto retoriek in de slechte, verhullende zin van het woord
is, een illusie die voor werkelijkheid wordt uitgegeven. Dat gevaar bestaat
wanneer men de intermediaire sfeer van de Civil Society uitsluitend als in
zichzelf niet-economische en niet-politieke instrumenten ziet voor het gladjes
functioneren van markt en staat. Dit gevaar is des te groter, wanneer men
bedenkt dat men in de Westerse visie op de Civil Society, in het bijzonder
voor zover die mede teert op de erfenis van Tocqueville, feitelijk afscheid
heeft genomen van de oorspronkelijke impulsen achter het Oost-Europese spreken
over Civil Society. Want herinneren we ons: toen en daar stond het concept
Civil Society bovenal voor een uitgesproken kritisch, anti-étatistisch
begrip, gericht soms zelfs op de vorming van een altijd onruststokende
tegenwereld, een civiele wereld georganiseerd rond de slachtoffers van de staat,
de Shaken (Potoçka). Nu gaat het hier niet om de vraag of die
Oost-Europese visie duidelijk is of werkbaar in het Westen. Het gaat hier
slechts om de constatering dat het spreken over Civil Society in het
Westen vooral lijkt te focussen op affectief geladen woorden en ervaringen als
harmonie, balans, evenwicht. Als dat soort begrippen de oorspronkelijke intentie
van de Civil Society gaan overwoekeren, namelijk een kritisch antwoord
geven op de fragmentatie en de spanningen die juist de markt en de moderne
politiek opleveren, door bijvoorbeeld uitsluitend een morele kritiek op de markt
en de staat te leveren, dan kan het spreken over Civil Society verworden
tot een ideologie in de klassieke, dat is negatieve zin van het woord (Rieff
1999).
3.1.2. Dat gevaar wordt nog groter, indien men de analyse
in overweging neemt die Robert Nisbet al in 1970 naar voren bracht in zijn The
Quest for Community. Zijn vraag is waarom er zoveel verlangen bestaat naar
gemeenschappelijkheid, naar kleine, warme groepen, vluchthavens voor de
chaos en het geweld van de global society, en waarom dat verlangen
kennelijk zo moeilijk beantwoord wordt door de traditionele kleine groepen van
gezin, kerk, en locale buurt. Zijn antwoord komt er op neer, dat de
moreel-stimulerende band is doorgesneden tussen de traditionele, kleine
gemeenschappen én het leven dat mensen leiden in de grote instituties van markt
en staat, terwijl die gemeenschappen nog steeds geacht worden de waarden over te
dragen voor het leven daarbuiten: Our present crisis lies in the fact that
whereas the small traditional associations, founded upon kinship, faith or
locality, are still expected to communicate to individuals the principal moral
ends and psychological gratifications of society, they have manifestly become
detached from positions of functional relevance to the larger economic and
political decisions of our society. Family, local community, church, and the whole
network of informal interpersonal relationships have ceased to play a
determining role in our institutional systems of mutual aid, welfare, education,
recreation, and economic production and distribution (ook in Eberly, o.c.
39). Toegegeven,
een constatering als deze kan leiden tot een reactieve vorm van conservatisme,
tot een allengs wanhopiger wordend appèl tot terugkeer naar de centrale positie
van de traditionele kleine gemeenschappen. Het zou verstandiger zijn om naar een
concept van Civil Society te zoeken, waarin én fundamentele kritiek op
markt en staat mogelijk wordt, en waarin gezocht wordt naar nieuwe vormen
van kleine, warme gemeenschappen, geen gemeenschappen die uitsluitend als
tijdelijke vluchthavens voor het harde leven daarbuiten worden beschouwd.
3.2. Tot slot moet nog opgemerkt worden dat de relatie
tussen Civil Society aan de ene kant en religie en kerk aan de andere kant
juist vandaag de dag moeizaam is. Uit de literatuur krijgt men de indruk, dat
juist mensen die vanuit geloof of theologie denken over de samenleving moeite
hebben met het begrip Civil Society. Voor zover het voluit
communautaristen zijn, is dat begrijpelijk: moraal, sociale samenhang, kan in
wezen dan alleen maar groeien uit gemeenschappen met een religieuze basis. Kerk
en religie zijn onmisbare facetten van een traditie waarin de sociale moraal
overgeleverd en bezield wordt. Terwijl men in nogal wat literatuur over
Civil Society de indruk krijgt, dat het uitgangspunt van het denken om zo
te zeggen het geseculariseerde zelf is, dat zelfs in de anti-liberale
pleidooien voor Civil Society de grondgedachte meespeelt dat, om met Rawls
te spreken, het zelf altijd vooraf gaat aan de morele,
levensbeschouwelijke, en ook religieuze doelen die dat zelf stelt. Voor
een gelovige visie waarin het zelf een schepsel is, is dat niet acceptabel. Daar
komt in de sociaal-culturele praktijk nog bij, dat de tendens tot
individualisering als bekend ook de wereld van kerk en religie heeft
aangestoken. Dat is een tendens die sommigen er toe verleidt om te denken dat
kerk en religie uitsluitend en alleen broedplaatsen zijn van individuele
spiritualiteit, en dat men alleen maar mag hopen dat spiritualiteit het
gemeenschapsleven in de Civil Society positief beïnvloedt: kerk en
religie lijken zichzelf terug te trekken uit het denken over onze samenleving.
3.3. Een conclusie? Die is simpel en in uitvoering
tegelijkertijd zeer gecompliceerd.
Het concept Civil Society
is een noodzakelijk concept, indien men er ten eerste van uitgaat, dat de
opvatting onjuist dat mensen van elkaar geïsoleerde wezens zijn, en dat
samenlevingsverbanden niet belangrijk zijn voor het streven naar het goede leven
van alle mensen, én indien men ten tweede van mening is dat markt en staat,
inclusief recht, vandaag de dag niet alleen (exclusief) voldoende zijn om dat
streven naar het goede leven te begeleiden.
Maar het concept is ook een
buitengewoon onduidelijk concept. Het is verstandig het in de eerste
plaats te zien als een heuristisch concept, een zoekwoord. Het zet aan tot
(onder)zoek en vragen, ten eerste naar de sociale gestalten tussen markt en
staat, en ten tweede naar de religieuze, levensbeschouwelijke en morele bronnen
in die tussensfeer. Alleen concreet onderzoek binnen concrete, tijd en plaats
gebonden contexten kan antwoorden geven.
Daarom is het concept altijd ook
omstreden: het is vooralsnog geen sociale werkelijkheid, alleen een concept dat
prikkelt en aanzet tot debat, discussie en strijd over wat het leven
interessanter maakt dan bevrediging van behoefte (markt) en macht (politiek).
Literatuur (nog niet compleet)
H. Bedford-Strohm, Gemeinschaft aus kommunikativer
Freiheit: Sozialer Zusammenhang in der modernen Gesellschaft, ein theologische
Beitrag, Gütersloh: Kaiser 1999.
E.M. Bounds, Coming Together/Coming Apart, New York/London:
Routledge 1997.
D.E. Eberly ed., The Essential Civil Society Reader: The Classic
Essays, Lanham etc.: Rowman & Littefield 2000.
J. Ehrenberg, Civil Society: The Critical History of an Idea, New
York/London: New York U.P. 1999.
H. Groen, Gettos en pleinen: Ontmoeting en
samenhang; De opgave van de 21ste eeuw, s Gravenhage/Amsterdam:
Socires/HaGé/Uitgeverij 2000.
R. Nisbet, , New
York etc.: Oxford U.P. 1970.
R. Plant, Politics, Theology and History, Cambridge: Cambridge U.P.
2001.
R. Putnam, Bowling Alone: Americas Declining Social Capital,
in: Journal of Democracy 6, no. 1 (1995) 65-78.
A.B. Seligman, The Idea of Civil Society, New York: Free Press
1992
Id., Modernitys Wager: Authority, the Self and Transcendence,
Princeton, N.J.: Princeton U.P. 2000.
M. Walzer, The Civil Society Argument, in: C. Mouffe ed., Dimensions
of Radical Democracy: Pluralism, Citizenship, Community, London: Verso 1992,
89-107.
19 april 2001
[1]
Midden jarig negentig verdween volgens Ehrenberg het opgewonden vertoog in
Oost-Europa over de komst van de Civil Society: de vorm die de markt
en de staat aannamen na 1989 hebben de idee weggevaagd van een sfeer van
welbewuste, vrijwillige associaties van waaruit de nieuwe manieren van dwang
en uitsluiting bestreden konden worden (Ehrenberg 2000: 199). Mij ontbreekt
de mogelijkheid om vast te stellen of ook in het Westen, in het bijzonder in
Nederland, de populariteit van het begrip aan het afnemen is. Mijn indruk is
wel, dat de belangstelling voor het concept vooral (nog?) aanwezig is in
kringen van het CDA, in het bijzonder via de activiteiten rond en na het
Christelijk-Sociaal Congres in 2000. Zie voor een scherp inzicht in de
problematiek van individualisering en nieuwe vormen van sociale uitsluiting
waarvoor het begrip Civil Society van belang zou kunnen zijn: Hans
Groen, Gettos en pleinen: Ontmoeting en samenhang: De opgave van de 21e
eeuw, s-Gravenhage 2000,